Organische eenheid-in-verscheidenheid

Prof. dr. Ulrich Libbrecht

 

Comparatieve filosofie is geen vergelijkende godsdienstwetenschap. Deze laatste houdt zich bezig met het vergelijken van religies zoals ze in hun oppervlaktestructuur verschijnen, d.w.z. binnen de context van een bepaalde cultuur. Comparatieve filosofie gaat, vertrekkend vanuit de bestaande religies, op zoek naar hun gemeenschappelijke dieptestructuur. Dit betekent dat deze dieptestructuur zelf geen religie is en ook niet de pretentie heeft zich in de plaats van die religies te stellen, ook niet als een soort 'Vernunftreligion'. Dit heeft als gevolg dat comparatieve filosofie ten aanzien van de religies geen waardeoordelen velt: voor haar zijn alle religies niet alleen evenwaardig, maar ook even waar; de ene is niet 'warer' dan de andere en geen enkele is de 'waarste'. De zaken liggen uiteraard anders voor wie zich tot een van deze belijdenissen bekent. Comparatieve filosofie werkt alleen met modellen; dit zijn een soort algebraïsche structuren, die formele relaties opzoeken, maar zelf geen inhoud hebben. De inhoud moet uit de bestaande levende of toekomstig mogelijke religies komen. Dit alles heeft voor gevolg dat comparatieve filosofie onbelemmerd de vraag naar het 'wezen' van de religie kan stellen.

Omdat het initieel materiaal echter uit bestaande religies moet verzameld worden, is het noodzakelijk dat we ervoor zorgen dat onze informatieve situatie zo breed mogelijk is. Voor sommigen betekent dit evenwel een hermeneutische reoriëntatie ten aanzien van dit basismateriaal. Meestal is de eigen religie uiteraard de enige echt bekende, niet alleen in haar kennisdimensie, maar ook in haar belevingsdimensie; verwante religies vallen nog net binnen de schemerzone van ons eigen realiteitsbewustzijn, maar vreemde religies blijven meestal onbegrepen, omdat wij niet over een sleutel beschikken om ze niet alleen objectief te benaderen, maar ook om hun emotionele impact te ervaren.

Chuang-tze zei reeds in de vierde eeuw voor Christus: "Hoe kan je aan een kikker die op de bodem van een put leeft de grootheid van de oceaan beschrijven? Hij zal u niet begrijpen." Een kikker die in een diepe waterput leeft heeft een horizont die samenvalt met de wanden van zijn put. Kijkt hij omhoog dan ziet hij aan het einde van zijn put een k1ein blauw cirkeltje dat hij identificeert met de gehele hemel. Dit is een mooi beeld om te beschrijven hoe iemand die geen andere horizont heeft dan die van zijn eigen beschaving ook overtuigd zal zijn dat er buiten zijn religie geen andere kan bestaan die recht heeft op het bezit van de waarheid. In dergelijk verengend perspectief kan uiteraard geen comparatief denken opgebouwd worden. Om zich met enige academische allure van de gehele zaak af te maken en zijn eigen onkunde niet te moeten toegeven, besluit men dan maar dat religies, evenals de culturen waarin ze ingebed zijn, incommensurabel zijn. Het vraagt een zekere moed om de wereld vanuit een vogelperspectief te bekijken, niet alleen omdat het opstijgen zelf grote inspanning vraagt, maar omdat men in de open ruimte wetenschappelijk uitermate kwetsbaar is. Maar alleen vanuit een dergelijk perspectief kan men terzelfder tijd in vele valleien kijken. Wie vastgekluisterd zit in één enkele vallei is overtuigd van zijn grote gelijk, want over de andere valleien is hij niet geïnformeerd.. Enkele rari nantes'2 trekken wel over de bergen om in de nabije dalen onderzoek te doen naar de daar vigerende levensvisies, maar hun reisverslag wordt slechts als een curiosum gelezen - als het al gelezen wordt, en dan in het rariteitenkabinet opgeborgen.

Maar omdat ook de vogel die het waagt boven de bergen uit te stijgen zijn nest in een van de dalen heeft, blijft het gevaar hem bedreigen dat hij de dingen toch nog vanuit zijn eigen traditioneel denk- en zijnskader bekijkt. Daarom hebben wij geprobeerd een model te bouwen dat zo paradigmavrij mogelijk is. Dit kunnen we hier echter niet beschrijven, omdat we ons hier zullen beperken tot de vraag naar de religie als dieptestructuur. We verwijzen dan ook naar onze studie "Inleiding Comparatieve Filosofie", 1995.

Rilke dicht: "Ich lebe mein Leben in wachsenden Ringen, die sich über die Dinge ziehn.." en dit lijkt mij de beste strategie om een breed perspectief te ontwikkelen. Elk van ons is uit de ruimte van het Mysterie in de zee van de fenomenaliteit gevallen, en rond het punt waar hij terechtkomt, tekenen zich groeiende kringen af De binnenring van het leven onder de eigen toren geeft ons uiteraard de hoogste geborgenheid, en hier kunnen we het best de belevingsdimensie van het religieuze bewustzijn tot de onze maken: de symboliek is ons vertrouwd en de taal ons bekend. Maar dit is geen reden om zelfgenoegzaam binnen de muren van zijn eigen kleine stad als binnen de ring van de zekerheid te vertoeven, in de overtuiging dat alle anderen toch maar barbaren zijn. Erasmus zei reeds eeuwen geleden: "Ego mundi civis esse cupio", ik verlang een burger van de wereld te zijn. Hij zegt niet: ik ben een burger van de wereld, want het zou al te goedkoop zijn de eigen universaliteit te poneren zonder er enige invulling aan te geven. Het is een moeizaan proces dit wereldburgerschap te realiseren, omdat we door onze opvoeding alleen al binnen een nauwe en vaak zelfgenoegzame kring gehuisvest zijn en we weinig geïnformeerd zijn over wat in deze grote wereld allemaal voorhanden is. Ik kies dan ook klaar en duidelijk voor de gelijkwaardigheid van alle religies. Men mag nog zo overtuigd zijn van het feit dat de eigen religie torenhoog uitsteekt boven alle andere, dit is een overtuiging die men alleen zou kunnen waarmaken als men ook alle andere religies ten gronde kent - en dit is in de regel niet het geval. En ook als men ze verstandelijk bestudeerd heeft, ervaart men ze nog niet in het emotionele vlak van binnenuit. Ik kan dus niet als uitgangspunt nemen de idee van Levinas dat de joodse religie een religie voor volwassenen is in tegenstelling tot de gevoelsreligies, of de idee van Karl Barth dat het christendom iets sui generis (op zichzelf staand - red) is, dat naast alle andere religies een aparte categorie vertegenwoordigt.

Ik hou meer van de idee van Gandhi dat men overal religieuze grootheid vindt en dat de ene religie niet meer waard is dan de andere. Wie het concept 'waarheid' hanteert, moet eerst antwoorden op de vraag 'quid est veritas?' en een definitie van het begrip waarheid zelf geven. Waarheid in de wetenschap slaat op de innerlijke consistentie van het systeem en daarnaast op de toepasbaarheid op de fenomenale werkelijkheid. Nu kan geen enkele religie pretenderen consistent te zijn. Zou dit wel het geval zijn, dan zou haar systeem meteen de weerlegging van alle andere systemen inhouden. Wat haar toepasbaarheid betreft, blijkt dat deze wel geldt voor de maatschappij waarin ze de gangbare religie is, maar daarom nog niet voor andere maatschappijen die gans andere basiswaarden huldigen. Dit is, bij wijze van voorbeeld, maar al te duidelijk gebleken wanneer men het christen-dom invoerde binnen de Chinese maatschappij, waar men niet eens begreep wat men onder een 'god' moest verstaan en daar ook geen woord voor had, zodat men god aanduidde als t'ien-chu, de meester van de hemel. Deze consistentie is echter helemaal geen noodzakelijke voorwaarde, omdat een religieuze leer opgebouwd is met symbolen en dus geen wetenschap is, maar een'symbolon' (zoals we verder zullen zien). Het concept religie mag dan ook niet 'monolitisch benaderd worden - door ze bijvoorbeeld als 'godsdienst', dienst van of aan God, te definiëren; er bestaan immers ook religies die geen godsconcept kennen. Religie verschijnt in de wereld als een 'goddelijke' caleidoscoop: een andere cultuur betekent ook een andere 'waarheid', dit wil zeggen een ander geloof. Wij moeten goed voor ogen houden dat het woord ge-love-n (evenals het Engels be-lieve) afgeleid is van "love": het is datgene waarvan men houdt. Evenmin als men van een kunstwerk kan zeggen dat het waar is, kan men dit van een religie; wel kan men over de authenticiteit van de religieuze beleving spreken. Een religieuze waarheid 'an sich' heeft eigenlijk geen betekenis, het is altijd een waarheid 'für mich'. Ook gaat het niet op - en getuigt het in feite van weinig fijngevoelig-heid - van een andere religie te zeggen dat ze een 'gedeeltelijke' waarheid bezit - zoals men dit graag als een oecumenische toegeving formuleert: een gedeeltelijke waarheid is in de rechtspraak nog altijd een leugen door verzwijging. Laten we dus, vanuit een filosofische methodologie, de oude catechismus zin "zo leren de ketters, edoch ze dolen" schrappen. Er bestaat een Japanse spreuk die zegt, "Het kan de berg niet schelen langswaar je hem beklimt". Het belangrijkste is het klimmen; wie in het dal blijft zitten met het boek van de enige waarheid onder de arm is geen religieus mens. Bovendien kan een mens niet anders dan opklimmen uit dat dal waarin hij geboren is. Mensen hebben hun beschaving in de regel niet gekozen, evenmin als de religieuze context waarin ze als kind zijn opgegroeid. De oude Chinese idee dat wij allen een specifiek 'Bevel des Hemels hebben, geldt ook voor culturen. Hoe meer variatie, hoe rijker het religieuze landschap.

 

NOOT

2    'Rari nantes in gurgite vasto' (Lat.) - zo hier en daar ronddobberend in het geweldig diep (Virgilius, Aeneis l, 118). Men citeert vaak alleen de eerste twee woorden; de uitdrukking wordt schertsend gebezigd van enkele personen of zaken die verdrinken in een geweldige massa of ruimte. (red.) terug

 

Religie als dieptestructuur


[De Bahá'í-Wereld] [Bahá'í-gemeenschap Nederland] [Táhirih Instituut] [Táhirih]

© 2000 Táhirih Instituut