|
Táhirih-lezing 2001
God en toeval, Deze Táhirih-lezing gaat in op het merkwaardige verschijnsel dat het begrip “toeval” een concurrerende positie heeft verkregen tegenover het begrip “God”. Die oppositie van “toeval” tegenover “God” speelt zich opmerkelijk meer in ons verstand af - mentaal dus - dan in ons hart. Mentaal kunnen we kennelijk dingen bedenken die we in ons hart in wezen NIET ervaren en beleven... Vooraanstaande wetenschappers houden ons voor dat het geloof in God achterhaald is. De evolutiebioloog Richard Dawkins beweert dat de wetenschap het bestaan van God zeer onwaarschijnlijk heeft gemaakt; Prof. Swaab beweert in Trouw dat alle processen terug te brengen zijn tot materialistische; Nobelprijswinnaar 't Hooft kan zich er niet bij neerleggen dat dingen onverklaarbaar zouden kunnen zijn. Het begrip toeval speelt een belangrijke rol in deze materie. Evolutiebiologen leren ons dat de mens door zuiver toeval ontstaan is, daar komt geen God meer aan te pas. Neurofysici vertellen ons dat emoties simpelweg complexe chemische reacties in onze hersenen zijn, en fysici willen ons doen geloven dat de realiteit door een aantal simpele natuurwetten geheel te beschrijven is. Er lijkt geen ruimte meer voor niet-wetenschappelijke werkelijkheden. In mijn lezing wil ik het voornamelijk gaan hebben over toeval. Is God werkelijk te vervangen door zuiver toeval? Als we ons gaan verdiepen in de werkelijke betekenis van wetenschappelijke uitspraken over toeval, dan komen we tot verrassende ontdekkingen en conclusies. Het zal blijken dat het begrip toeval een menselijke uitvinding is, bedoeld om toch een naam te kunnen geven aan het onnoembare. We zullen zien dat toeval nooit gebruikt kan worden als verklaring der dingen. We zullen zien dat wetenschappelijke uitspraken over het bestaan van God zelf ook gebaseerd zijn op geloofsovertuigingen. Táhirih-lezing op 25 maart 2001 GOD, WETENSCHAP EN TOEVAL Prof. Dr. Ronald Meester Als we alles ondergeschikt maken aan het verstand, heeft onze godsdienst niets mysterieus en bovennatuurlijks meer. Als we ons niet aan de beginselen van het verstand houden, wordt onze godsdienst ongerijmd en belachelijk. (Blaise Pascal, Gedachten, deel 1, XIII 173) Inleiding Dames en heren, voordat ik u iets ga vertellen over mijn persoonlijke visie op de relatie tussen wetenschap en religie, wil ik allereerst Eric Fienieg hartelijk bedanken voor de uitnodiging om hier te spreken. Deze lezing heb ik met veel genoegen voorbereid en het is plezierig om hier te zijn en te kunnen spreken. Ik hoop van harte dat het genoegen wederzijds zal zijn. Vandaag staat de relatie tussen wetenschap en religie centraal. Op dit punt zijn er eigenlijk net zo veel standpunten als mensen, al zijn er wel enkele hoofdstromingen aan te geven. Veel mensen denken dat wetenschap en religie onverenigbaar zijn, hetgeen zou impliceren dat je een keuze moet maken. Zo wijzen bijvoorbeeld de Amerikaanse creationisten de evolutietheorie af, en vanuit het andere kamp vinden veel wetenschappers dat God nergens meer voor nodig is. Anderen vinden dat wetenschap en religie zich slechts met hun eigen terrein moeten bezighouden. Wetenschap zou zich moeten bezighouden met de vraag hóe, en religie met de vraag waaróm. Weer anderen doen ingenieuze pogingen om de twee gebieden te integreren. Daar kom ik nog uitgebreid over te spreken. Waarom ben ik geïnteresseerd in deze materie? Een korte schets van mijn persoonlijke achtergrond verheldert dat misschien een beetje. Ik kom uit een katholiek gezin, kerkgaand en ook anderszins christelijk geëngageerd, zoals dat zo mooi heet. De bijbelverhalen werden mij met de paplepel ingegoten, en het werd mij duidelijk gemaakt dat God de wereld bestierde. Op school kreeg ik hele andere dingen te horen, die met dat godsbeeld op gespannen voet stonden. Ik maakte kennis met wiskunde, natuurkunde en scheikunde. De werkelijkheid werd mij voorgeschoteld als een prachtig wiskundig model, waar snelheden uitgerekend konden worden, waar elektronen balletjes waren die in nette banen om atomen cirkelden, en waar we precies konden uitrekenen wanneer de volgende zonsverduistering zou plaatsvinden. Het scheen mij toe dat wetenschap toch veel zinniger dingen over de werkelijkheid te melden had dan religie. Zoals de 18e eeuwse Franse wis- en natuurkundige Laplace antwoordde op de keizerlijke vraag waar God nu was in zijn model van de werkelijkheid: "Sire, die hypothese hebben we niet meer nodig". Ik ging wiskunde studeren, en liet religie achter mij. Het zei me allemaal niet zo veel meer. Pas ergens tussen mijn 30ste en 33ste is er iets veranderd. Vraag me niet precies wat, maar het werd mij langzamerhand duidelijk dat ik mijzelf verloochende. Een heel belangrijk deel van mij werd door een ander deel ontkend. Mijn vrienden grinniken nog regelmatig om deze voor buitenstaanders verrassende ontwikkeling. Het woord bekering gebruik ik liever niet, want dat doet mij iets teveel denken aan Amerikaanse tv-dominees. Maar sinds die tijd heb ik als wetenschapper en religieus mens veel nagedacht over wat religie en wetenschap ons nu te zeggen hebben. Ik heb er uiteraard ook veel over gesproken. Eén van de dingen die me daarbij opviel is dat ik makkelijker met ongelovige mensen hierover praat dan met gelovige. Gelovige mensen hebben vaak een beeld van God dat niet het mijne is, en dat praat moeilijker dan helemaal geen beeld. Wat is mijn beeld van God? Dat is, natuurlijk, een moeilijke vraag, die in de loop van mijn verhaal misschien tot op zeker hoogte beantwoord zal worden. Ik noem mijzelf christen, maar er zullen zeker christenen zijn die dat niet zouden accepteren. Zo is Jezus voor mij mens en geen God. Als het gaat om de vraag om God te beschrijven, voel ik mij sterk verbonden met de joodse 12e eeuwse filosoof Maimonides. Maimonides was een voorstander van de zogenaamde "via negativa". Dat was een stroming die verklaarde dat je niet rechtstreeks over God kon praten. Je kon niet zeggen wat God was, je kon alleen maar zeggen wat hij niét was. Dus in plaats van te zeggen dat God bestond, ontkende Maimonides dat God niet bestond. Op deze manier werd voorkomen dat je God zag als iets wat te beschrijven was. Ik voel persoonlijk veel voor deze benadering, en dat zult u vandaag zeker merken. Ik zal vaker uitleggen waarom een bepaalde visie mij niet overtuigt, dan dat ik zal verklaren hoe het volgens mij allemaal wél in elkaar steekt. Dat weet ik uiteraard net zo min als u. Maar, uiteindelijk, zo tegen het eind van mijn verhaal, kom ik toch wel ergens op uit, op een bepaald beeld, noem het een visie, een manier om tegen wetenschap en religie aan te kijken, waar ik persoonlijk voorlopig vrede mee heb. Waar ga ik het over hebben? Zoals ik net al aangaf, zal ik eerst iets gaan vertellen over pogingen van anderen om religie en wetenschap met elkaar in verband te brengen. U zult merken dat ik vrij kritisch zal zijn. Daarna zal ik mij concentreren op beweringen van luidruchtige evolutiebiologen, met name de Engelsman Richard Dawkins, die beweren dat wij mensen het gevolg zijn van een blind en zinloos toevalsproces. Ik zal hun uitspraken en beweringen analyseren, en onderzoeken wat deze ons nu precies te zeggen hebben. Als wiskundige met een leerstoel in de waarschijnlijkheidsrekening ben ik niet alleen geïnteresseerd in de wískunde van kansen, maar ook in de interpretatie en filosofie hiervan. Veel mensen worden in verwarring gebracht door de zelfbewuste uitspraken van Dawkins, en ik voel de behoefte om een tegengeluid te laten horen. Na de evolutietheorie te hebben besproken, zal ik nog ingaan op enkele andere aspecten die te maken hebben met kans, toeval en God. Ik zal kort ingaan op de fascinerende evolutietheologie van John Haught. Hij noemde de evolutietheorie van Darwin zelfs een geschenk voor de theologie, en ik hoop duidelijk te kunnen maken waaróm. Tenslotte wil ik u een indruk proberen te geven van wat ik de spiritualiteit van de wiskunde noem. Dat klinkt op dit moment wellicht bijna als een tegenstrijdigheid, maar ik hoop dat u dit aan het eind van mijn verhaal beter begrijpt. Een synthese van wetenschap en religie zal dit alles denk ik niet opleveren, maar ik hoop ook duidelijk te maken dat zo'n synthese voor mij helemaal niet zo belangrijk is. U ziet, over religieuze beléving zal ik niet heel veel zeggen. Dit komt af en toe wel aan de orde, maar in eerste instantie zal ik mij concentreren op filosofische aspecten. Voor ik van wal steek nog één opmerking. Misschien kom ik in het verhaal soms wat al te stellig over. Ik heb niet altijd de moeite genomen om woorden als "volgens mij", of "naar mijn mening" tussen te voegen. Als wiskundige ben ik dat ook niet zo gewend. Een wiskundige die iets presenteert is doorgaans nogal zeker van zijn zaak. Op die manier ben ik dat hier zeker niet, en ik hoop dat u mij deze stijl zult vergeven. Onbegaanbare wegen De grote 18e eeuwse joodse mysticus Baäl Sjem Tov verwoordde de relatie tussen ratio en geloof als volgt: "De ene mens gelooft omdat hij het voorbeeld van zijn voorvaders volgt, en hun gelooftradities krachtig handhaaft. De andere mens gelooft door logisch en filosofisch nadenken. [..] De eerste heeft het voordeel dat hij niet verleid kan worden, zelfs wanneer hij geconfronteerd wordt met filosofisch bewijs dat zijn geloof tegenspreekt. Zijn geloof blijft sterk dankzij de tradities die hij van zijn voorvaders heeft overgenomen. [..] Aan de andere kant heeft deze persoon ook een nadeel. Zijn geloof is niet goed beredeneerd, niet overwogen, en is in essentie het gevolg van gewoonte. De tweede heeft ook een voordeel. Hij heeft God met zijn logische verstand ontdekt, en is sterk overtuigd van zijn geloof. Hij heeft echter ook een nadeel. Hij kan door logica overtuigd worden en op het moment dat hij geconfronteerd wordt met bewijzen die de logische structuur van zijn geloof omverhalen, kan hij weggelokt worden. De mens die het geloof dankzij beide manieren verwerft, heeft alle voordelen. [..] Hij heeft daarom het beste en meest volkomen geloof." Ik kan niet zeggen dat ik deze visie helemaal onderschrijf. Wat ik er echter heel boeiend aan vind, is dat Baäl Sjem Tov twee gezichtspunten probeert te integreren: neem van allebei iets. Gooi de traditie niet weg, maar denk ook na. Deze visie toont respect voor beide kanten van de zaak, en dat vind ik er heel plezierig aan. Ik zal op mijn manier wetenschap en religie benaderen op een manier die beide respecteert. Wetenschap en religie. Laat ik eerst enkele benaderingen bespreken die voor mij persoonlijk uiteindelijk onbegaanbaar zijn. 1. In zijn recent verschenen boek "God en Darwin" formuleert de bioloog Stephen Jay Gould het spanningsveld tussen religie en wetenschap als volgt. "Het magisterium van de natuurwetenschap strekt zich uit over het empirisch gebied: waar is het universum van gemaakt (feit dus) en waarom functioneert het zoals het doet (theorie dus). Het magisterium van de religie strekt zich uit over kwesties als morele waarden en de zin van het bestaan. Die twee magisteria overlappen elkaar niet en evenmin omvatten zij alle mogelijke onderzoeksgebieden." Hij noemt dit het NOMA principe, de letters NOMA staan voor "niet-overlappende magisteria". Het klinkt aantrekkelijk en aannemelijk, deze indeling van Gould. Echter, op de een of andere manier komt het mij voor dat dit standpunt het probleem omzeilt. Het is in mijn ogen een rationeel standpunt dat voorbijgaat aan de manier waarop mensen religie beléven. Bovendien is onduidelijk hoe dan om te gaan met christelijke geloofsvoorstellingen als de maagdelijke geboorte en wederopstanding van Jezus. Deze geloofsvoorstellingen zijn voor veel christenen cruciaal, en voor veel wetenschappers onmogelijk. De claim van Gould dat de twee magisteria elkaar niet overlappen lijkt mij niet houdbaar in dit geval. Hoewel Gould bij mij respect afdwingt door de integere manier waarop hij als niet gelovig mens tegen deze materie aankijkt, overtuigt hij mij niet. 2. Een interessante kijk op de zaken wordt gegeven door de filosoof Ken Wilber, in zijn recente boek over de integratie van religie en wetenschap. Wilber verdedigt een fascinerend standpunt. Volgens hem is er helemaal geen dilemma. Voor Wilber is de essentie van religie de religieuze erváring, veel meer dan het dogma. Elke religieuze stroming kent deze ervaringen en dit duidt er volgens Wilber op dat dit inderdaad de essentie van spiritualiteit is. Religieuze ervaringen kunnen volgens hem bestudeerd worden met de wetenschappelijke methode. Daarmee bedoelt hij zeker niét te zeggen dat religie tot wetenschap teruggebracht kan worden. Maar de realiteit van spirituele ervaringen zou op een wetenschappelijke manier onomstotelijk vastgesteld kunnen worden. Wilber noemt slechts één voorwaarde voor het succes van zijn benadering. Deze voorwaarde behelst de idee dat religie afstand moet doen van haar metafysische claims, zoals bijvoorbeeld, inderdaad, de maagdelijke geboorte en wederopstanding van Jezus. Wat mij betreft zijn we dan eigenlijk weer terug bij af. Een dergelijk offer is, zo verwacht ik, simpelweg te veel gevraagd. Het is in ieder geval te veel gevraagd voor mij. Dus hoewel ik grote bewondering heb voor de scherpzinnigheid en creativiteit van Wilber, overtuigt ook hij mij op dit punt niet. 3. Een geheel andere benadering is het leentjebuur spelen van religieuze stromingen bij de natuurwetenschappen. Fysische concepten worden dan gebruikt om religieuze uitspraken te doen of te ondersteunen. Ik kan deze benadering duidelijk maken aan de hand van een typisch voorbeeld. In het tijdschrift Newsweek verscheen enige jaren geleden een artikel met als titel "Natuurwetenschap vindt God". Ik citeer uit dit artikel. "Neem de moeilijke christelijke voorstelling van Jezus die zowel volledig god als ook volledig mens is. Het blijkt dat deze dualiteit zijn parallel heeft in de kwantumfysica. In het begin van de twintigste eeuw ontdekten natuurkundigen dat eenheden die als deeltjes werden gezien, zoals elektronen, zich ook als straling konden gedragen. De gangbare verklaring voor dit vreemde verschijnsel is dat licht tegelijkertijd zowel uit straling als uit deeltjes bestaat. Zo is het ook met Jezus, stelt de natuurkundige F. Russel Stannard van de Open University in Engeland. Wij moeten Jezus niet zien als waarlijk God in menselijke gedaante, of als waarlijk mens maar handelend als God, zegt Stannard:`Hij was volledig beide'." Tja, wat moeten we daar nu mee, zo vraag ik mij af. Ik zie niet in dat een dergelijke vergelijking meer kan betekenen dan dat de menselijke geest tegenspraken kan aanvaarden. Dit zegt natuurlijk niets over de aard van God. 4. De vierde poging, tenslotte, om wetenschap en religie bij elkaar te brengen wordt bijvoorbeeld beschreven in een recent boek van Sjoerd Bonting. Hij probeert ons ervan te overtuigen dat het verhaal in Genesis nauw aansluit bij de werkelijke historische evolutie. De volgorde waarin planten en dieren in Genesis ontstaan, zou in grote lijnen overeenkomen met de historische evolutie. Mijn bezwaar tegen deze visie is dat de bijbel hier in zekere zin als een historisch document wordt beschouwd. Dat is het in mijn ogen niet. Als iemand zijn of haar religieuze overtuiging of visie af laat hangen van wetenschappelijke inzichten en vooruitgang, dan maakt hij zich daarmee uitermate kwetsbaar. Zo'n overtuiging is van nature geneigd eeuwig in de verdediging te blijven. Persoonlijk voel ik daar niets voor, en geef ik de voorkeur aan een beeld dat niet staat of valt bij wetenschappelijke vooruitgang. Godsbewijzen Ook uit Baha'i gelederen is er recent een poging ondernomen om een godsbewijs te formuleren. De wiskundige William Hatcher verklaart dat hij, uitgaande van drie aannames, een onweerlegbaar bewijs voor het bestaan van God heeft geformuleerd. Ik moet eerlijk bekennen dat ik niet verder ben gekomen dan zijn eerste aanname die als volgt luidt: "Alles in het universum is ófwel voorafgegaan door een reden voor zijn bestaan, ófwel bevat in zichzelf voldoende reden voor zijn bestaan." Deze uitspraak zou ook moeten slaan op het universum zelf. We zouden dan moeten spreken over iets dat aan het universum voorafgaat, iets dat dus aan de big bang voorafgaat. Maar ons besef van tijd is niet verenigbaar met een notie van iets voorafgaand aan de big bang. Vóór de big bang bestond er geen tijd. Net zomin als je noordelijker kunt komen dan de noordpool, kun je teruggaan in de tijd tot voor de big bang. Er zijn ook pogingen gedaan om kansrekening, mijn discipline dus, toe te passen op de vraag of God bestaat. In zijn boek met de titel "Uncertain belief, is it rational to be a Christian", doet David Bartholomew een poging in deze richting. De procedure die hij beschrijft gaat ongeveer als volgt. Stel iemand heeft redenen om een bepaalde kans toe te kennen aan het bestaan van God. In technische termen heet dit de a priori kans op de mogelijkheid dat God bestaat. Deze kans moet u beschouwen als een maatstaf voor het persoonlijke vertrouwen van iemand in het bestaan van God. Iemand die kans 1 aan God toekent weet zeker dat Hij bestaat, iemand die kans 0 toekent weet zeker dat Hij niet bestaat, en daartussenin zitten alle mensen die in verschillende mate onzeker zijn over Gods bestaan. Vervolgens wordt iemand geconfronteerd met bepaalde informatie die van invloed zou kunnen zijn op zijn of haar persoonlijke, subjectieve kans dat God bestaat. Deze informatie is op zichzelf al interessant en de moeite van het bestuderen waard. Het betreft de numerieke waarde van een stuk of tien natuurconstantes. Ik zal niet uitleggen wat die constantes precies voorstellen, maar in de kosmologie heeft men inmiddels ontdekt dat die tien natuurconstantes exact die waarden hebben die leven mogelijk maken. Als ook maar één van de tien constantes een fractie anders zou zijn, dan zouden wij hier niet bestaan. De één haalt zijn schouders op over dit gegeven en vindt het eigenlijk een tautologie dat wij waardes van natuurconstantes observeren die leven mogelijk maken. Bij andere waardes waren wij er namelijk niet geweest om dit te observeren. Een ander vindt het belangwekkende informatie, omdat het lijkt te verwijzen naar orde, structuur en plan. Het punt is nu dat er een technische, wiskundige formule is, die de mate waarin een gegeven overtuigend is voor een bepaald persoon vertaalt naar een nieuwe persoonlijke, subjectieve kans op het bestaan van God. Na het krijgen van de nieuwe gegevens heeft die persoon dus een nieuwe kans op het bestaan van God, een nieuwe subjectieve kans, dat wel. Door nu zo veel mogelijk gegevens die op het geloof in het bestaan van God van invloed zouden kunnen zijn mee te nemen, zouden we de subjectieve kans dat God bestaat voor verschillende personen, atheïsten, agnosten en theïsten kunnen vergelijken. In zijn boek komt Bartholomew tot de conclusie dat de theïsten doorgaans meer reden hebben om in God te geloven, dan dat atheïsten dat hebben om niet in God te geloven, en dat lijkt in mijn ogen toch verdacht veel op een godsbewijs. Het zal u misschien niet verbazen dat ik persoonlijk helemaal niets zie in deze benadering. Het is in mijn ogen een naïeve poging om geloofskwesties te rationaliseren. De grote zwakke plek zit in de aanname dat iemand een a priori kans zou toekennen aan de mogelijkheid dat God bestaat. Waar komt die a priori kans vandaan? Dat is toch een kwestie van geloof? In mijn ogen is deze aanpak niets anders dan een flauwe manier om wat met getalletjes te goochelen. Over de aard van God, over zijn realiteit en over geloof in zijn bestaan zegt het voor mij helemaal niets. Al deze methodes en ideeën werken dus niet voor mij persoonlijk, en ik heb geprobeerd aan te geven waarom. Uiteraard kan het heel goed gebeuren dat u zich juist bijzonder aangesproken voelt door één van de besproken ideeën. Wie ben ik om daar iets van te vinden? Het enige dat ik ervan kan zeggen is dat ikzélf verder moet zoeken. Een bewijs dat God niet bestaat? Wat brengt Dawkins tot deze uitspraak? Welke argumenten heeft hij om het bestaan van God zo onwaarschijnlijk te vinden? Om dat te begrijpen zal ik in het kort schetsen wat de moderne evolutietheorie inhoudt. De moderne evolutietheorie begint bij Darwin in de 19e eeuw. In zijn revolutionaire boek "De oorsprong van de soorten" beschrijft Darwin hoe volgens hem de verschillende soorten op aarde, inclusief de mens, zijn ontstaan. Ergens in een ver, ver verleden, miljoenen jaren terug is er door stom, blind toeval, primitief leven ontstaan op aarde. Nadat het leven eenmaal was ontstaan is dat verder geëvolueerd door toeval. Soms gebeurde het namelijk dat nakomelingen een bepaalde genetische afwijking hadden. Meestal had dat nadelige effecten, maar af en toe gebeurde het dat zo'n afwijking, mutatie genoemd, de nakomeling in het voordeel bracht ten opzichte van zijn soortgenoten. Deze nakomeling had dan betere papieren om te overleven, en dus werd deze mutatie in de keiharde strijd om te overleven heel belangrijk. Organismen met deze mutatie waren daarbij in het voordeel en op die manier werden organismen zonder de mutatie langzaam maar zeker uitgerangeerd. Uiteindelijk werd de mutatie regel in plaats van uitzondering, en de soort was weer iets verder geëvolueerd. Dit was volgens Darwin het principe achter de evolutie: volslagen toevallige mutaties, gevolgd door een strijd op leven en dood. Hij noemde dit proces het proces van natuurlijke selectie. In de evolutie is geen zin, doel of richting aan te geven. Alles gebeurt door blind toeval. Darwin was zich terdege bewust van de theologische problemen die hij met deze theorie schiep. Hier was hij ook wel wat onzeker over, maar ik geloof niet dat hij ooit heeft gezegd dat zijn theorie God overbodig zou maken. Natuurlijk is het zo dat de idee van natuurlijke selectie twijfel en onzekerheid oproept. Twijfel en onzekerheid horen bij religie. Deze twijfel werd door Hans Andreus in het volgende prachtige gedicht verwoord. Het gedicht heet "De bossen in of Good old Darwin". Je kunt het zien Schuil onder het lover valt het toch moeilijk Darwins theorie is uiterst belangrijk geweest voor de biologie, en is dat nog steeds. In zijn tijd waren er nauwelijks data om zijn theorie te staven. Sindsdien heeft men in de paleontologie inderdaad natuurlijke selectie op het niveau van soort waargenomen, maar het hele fossiele bodemarchief bevat geen enkele aanwijzing dat een soort via geleidelijke ontwikkeling zelfs maar naar een ander genus overstapte, laat staan dat er overgangen van bijvoorbeeld reptielen naar zoogdieren zouden zijn ontdekt. Dat is niet het enige probleem met de theorie. In de biochemie bijvoorbeeld bestudeert men biochemische systemen van duizelingwekkende complexiteit, zoals bijvoorbeeld het menselijk afweermechanisme. Het is absoluut onvoorstelbaar hoe dergelijke systemen zich geleidelijk door toeval zouden hebben kunnen ontwikkelen, aangezien het systeem alleen maar werkt in zijn geheel. Als je één schakel weghaalt dan werkt het niet meer. Dit is duidelijk in strijd met de idee van geleidelijke ontwikkeling die voortvloeit uit Darwins beschrijving. Beide problemen werden door Darwin zelf trouwens ook al geanticipeerd. Hij hoopte dat toekomstige wetenschappelijke ontwikkelingen hem gelijk zouden geven. Dat is niet gebeurd. Wat maakt Richard Dawkins van deze theorie? Hij gaat er anders mee om dan Hans Andreus. Voor Dawkins is het duidelijk dat van de christelijk geloofsvoorstellingen in deze beschrijving weinig meer over blijft. Waar is de liefhebbende God? Waar is de mens die door God bedoeld was? Dawkins laat dan ook geen gelegenheid ongebruikt om het christelijk geloof belachelijk te maken. Ondanks bovengenoemde wetenschappelijke problemen met de theorie begint hij zijn boek "De zelfzuchtige genen", met een verklaring dat het niet langer een vraag is waar de mens vandaan komt. Darwin heeft, zo zegt Dawkins, dit mysterie opgelost. Ik vermoed dat Darwin zelf deze bewering niet zou willen verdedigen. Voor Dawkins is het duidelijk dat we God niet meer nodig hebben om de mens te verklaren, toeval is genoeg. Natuurlijk hebben de toevallige mutaties maar een hele kleine kans, maar het geheim, zo betoogt Dawkins, zit hem in de onvoorstelbaar lange tijd die de evolutie tot zijn beschikking heeft. Nobelprijswinnaar George Wald zegt hierover het volgende: "Als je maar lang genoeg de tijd hebt dan wordt het onmogelijke mogelijk, het mogelijke waarschijnlijk, en het waarschijnlijke zeker". En deze visie lijkt inderdaad zeer overtuigend. De kans om een prijs te winnen bij een rad van fortuin lijkt klein, maar inderdaad, als je het maar vaak genoeg probeert dan zul je uiteindelijk wel een keer geluk hebben. Is er nog meer te zeggen? Is hiermee de kous af? Ik denk stellig van niet. Het argument van Dawkins is gebaseerd op toeval, en om duidelijk te maken waarom ik zijn argumenten verwerp, zal ik nu eerst moeten ingaan op wiskunde en kansrekening. Schrikt u niet, ik begrijp dat ik niet voor wiskundigen spreek. Een zekere mate van inzicht over hoe een wiskundige werkt, en wat hij of zij eigenlijk doet is echter noodzakelijk om Dawkins van repliek te kunnen dienen. Wiskundige modellen Stel ik gooi een dobbelsteen. Vanwege de symmetrie zal het voor iedereen duidelijk zijn dat de kans dat er bijvoorbeeld drie ogen bovenkomen gelijk zou moeten zijn aan 1/6. Ik kan nu een wiskundig model maken voor het gooien van een dobbelsteen, waarbij de kans op bijvoorbeeld drie ogen inderdaad 1/6 is. Dat klinkt nogal logisch en het zou vreemd zijn als ik het anders zou doen. Nogmaals, het model dat ik zojuist beschreef kent kans 1/6 toe aan elk van de mogelijke uitkomsten bij het gooien van een dobbelsteen. Nu komt een cruciale vraag. Waarom hebben wij met zijn allen vertrouwen in dit model? Waarom accepteren we het? Waarom vindt iedereen het toch zo logisch dat we dit model kiezen? Het antwoord op deze vraag is simpel: de erváring van vele worpen met de dobbelsteen heeft ons vertrouwen in het model gegeven. Als wij met zijn allen vele, vele malen met een dobbelsteen zouden gaan gooien, dan zouden we tot de ontdekking komen dat we in ongeveer 1/6 van het totaal aantal worpen een drie hebben gegooid. Bij vele herhalingen van hetzelfde experiment zien we dat in 1/6 van de gevallen een drie bovenkomt, en dat komt prachtig overeen met het intuïtieve idee dat de kans op een drie gelijk zou moeten zijn aan 1/6. Dáárom accepteren we het model, omdat het in de praktijk werkt. Nu een ander voorbeeld, waaruit blijkt dat je niet altijd de kans van te voren kunt inschatten, zoals bij de dobbelsteen. Misschien kent u het spelletje Biggen wel. Het spel bestaat uit twee varkentjes die je net als een dobbelsteen een aantal keren moet gooien. De varkens kunnen nu op een aantal manieren terechtkomen. Meestal komen de varkens op hun zij terecht, die worp heet Zijtje Spek. Dit levert dan ook slechts 1 punt op. Een zeldzame worp is de Dubbele Trogstand, waarbij allebei de varkentjes op hun neus terechtkomen. Als je het geluk hebt deze te gooien dan levert je dat maar liefst 60 punten op. Hoe komt men aan deze puntenverdeling? Hier is slechts één antwoord mogelijk: ervaring. Na vele vele worpen bleek dat de Dubbele Trogstand ongeveer 60 maal zo weinig voorkwam als Zijtje Spek. De makers hebben daarop het spel Biggen gemodelleerd, zodat de kansen op de verschillende uitkomsten worden gespecificeerd. Zolang dit model, deze puntenverdeling dus, de werkelijke uitgevoerde spelletjes goed beschrijft, vinden we dit prima, en accepteren we het model. Als nu blijkt dat diegene die op de Dubbele Trogstand wedt altijd wint, dan is dat een signaal om het model aan te passen. We accepteren dus het model zolang de realiteit hiertoe aanleiding blijft geven. Terug naar de dobbelsteen. Het wordt daar nog veel mooier. In het simpele wiskundige model waarin bij elke worp de kans op een specifieke uitkomst 1/6 is, en waarin verschillende worpen onafhankelijk van elkaar plaatsvinden, in dat simpele wiskundig model, kunnen we echt bewijzen, dat de fractie van de uitkomsten waar een drie bovenkomt steeds dichter bij 1/6 komt te liggen. Hoe vaker je gooit, hoe dichter deze fractie bij 1/6 ligt. Dit wiskundig bewijs gaat gepaard met formules, redeneringen en logische stappen. Het bewijs laat zich helemaal niets gelegen liggen aan de werkelijkheid, het is een bewijs in de abstracte wereld van de wiskunde. Dat lijkt vreemd, want het feit dat we in ruwweg 1/6 van het aantal worpen een drie zien, is toch echt empirisch toetsbaar. Ik zei toch net dat ik als wiskundige alleen modellen bestudeer, en niet de werkelijkheid zelf? Welnu, inderdaad, het feit dat ik in het wiskundig model iets kan bewijzen wat we vervolgens in de realiteit waarnemen is alléén maar een aanwijzing dat het model de werkelijkheid op dit punt goed beschrijft. Het heeft geen énkele verklarende waarde. Met andere woorden, het wiskundig model voor het herhaald gooien met een dobbelsteen voorspelt en beschrijft wat er gebeurt bij het herhaald gooien van de dobbelsteen, maar het verklaart niet het ervaringsfeit dat het aantal drieën bij herhaald gooien in de buurt van 1/6 van het aantal worpen komt te liggen. Het is juist precies andersom. Als we een wiskundig bewijs zouden kunnen geven dat we in de helft van de worpen een drie zouden gooien, dan concluderen we dat het modél niet klopt, en gaan we op zoek naar een beter model. Dus, we kiezen het model dat de werkelijkheid goed nabootst, het model heeft dus geen enkele verklarende waarde. Ik zal dit principe nog eens toepassen op een minder kunstmatig voorbeeld dan het gooien met een dobbelsteen of varken. Het verhaal is waar gebeurd. Op 1 maart 1950 kwamen alle 15 leden van een kerkkoor ergens in de Verenigde Staten te laat op de repetitie. De redenen waren zeer uiteenlopend en hadden niets met elkaar te maken. De één slaagde er niet in zijn auto te starten, de ander had zich verslapen, nog een ander wilde eerst een interessant radioprogamma afluisteren, etcetera. Vijf minuten nadat het koor met de repetitie had moeten beginnen werd het kerkgebouw door een gasexplosie volledig verwoest. Door een zeer opmerkelijke samenloop van omstandigheden was er nu niemand in de kerk aanwezig tijdens de explosie. Hoe bijzonder was deze gebeurtenis nu eigenlijk? Velen onder u zullen de volgende redenering heel overtuigend vinden: de kans op deze specifieke gebeurtenis was natuurlijk extreem klein. Maar ja, er zijn zo vreselijk veel onwaarschijnlijke dingen die toevallig kunnen gebeuren, het moet wel heel gek gaan wil een dergelijke gebeurtenis níet af en toe plaatsvinden. Het is eigenlijk net als bij een loterij: de kans om te winnen is klein, maar af en toe gebeurt het toch. Dit lijkt een goed argument. Ik wil u er echter van proberen te overtuigen dat het helemaal geen goed argument is. Als je van deze opvallende toevalligheden zegt dat zoiets volgens de kansrekening nu eenmaal eens in de zoveel tijd zal gebeuren, dan geldt deze conclusie alleen maar voor het model, dat op basis van de werkelijke situatie is geconstrueerd. Dus eerst constateer je dat er iets opmerkelijks is gebeurd. Vervolgens maak je een model waarin die opmerkelijke gebeurtenis kan optreden, en waarop de kans wellicht zelfs berekend kan worden. Het verbazingwekkende van zo'n gebeurtenis lijkt dan onschadelijk gemaakt. Echter, je vergeet dan dat die conclusie is gebaseerd op het luchtkasteel dat je zelf hebt gebouwd: het wiskundig model. Wanneer je rekent met kansen, dan reken je per definitie in een model, en dat model is niet de werkelijkheid. De conclusie is dus dat een wiskundig model beschrijft en verheldert, maar nooit verklaart. Bestaat toeval? Een wetenschappelijke benadering van de vraag of toeval bestaat, vereist dat we toeval uiteindelijk werkbaar definiëren. En dat kan ik niet. Probeer het maar eens. Wellicht iets als `twee gebeurtenissen die optreden en waartussen geen causaal verband bestaat'? Een aardige poging, maar ik zou niet weten hoe je dat zou moeten nagaan, want wanneer is er sprake van causaal verband? Met een dergelijke definitie kunnen we nooit beslissen of een bepaalde gebeurtenis toevallig is of niet. Of je nu materialist, theïst, atheïst, christen, baha'i, humanist of wat dan ook bent, niemand kan beweren dat hij of zij begrijpt hoe deze wereld werkelijk in elkaar steekt. Wat de één blind toeval noemt, noemt de ander de hand van God, en waar de één toeval ziet als bewijs van een goddeloos universum, ziet een ander toevallige gebeurtenissen juist als manifestaties van het Goddelijke. Daar komen we niet uit. Dit is trouwens in overeenstemming met de moderne kwantumfysica, en ik denk tussen haakjes dat dit niet een voorbeeld is van leentjebuur spelen. De kwantumfysica stelt duidelijk dat de vraag of toekomstige ontwikkelingen toevallig zijn of al vastliggen, empirisch onbeslisbaar is. We komen nu aan onze volgende belangrijke conclusie: Elke uitspraak die het bestaan van toevallige gebeurtenissen erkent of verwerpt is in beginsel een zinledige uitspraak, aangezien we niet weten wat toeval is. Binnen het abstracte raamwerk van de wískunde zijn kansen op gebeurtenissen daarentegen wél goed gedefinieerd. Als een gebeurtenis met een hele kleine kans toch optreedt in een wiskundig model, dan kunnen we met enig recht zeggen dat dat toeval is. Elke wiskundige met enige kanstheoretische kennis weet precies wat we daar mee bedoelen. Als wiskundige kun je dus zeker werken in wiskundige modellen waarin toeval een rol speelt. Daarbij vervangen we onze dagelijkse onzekerheden door wiskúndige kansen. Ik vermoed dat wanneer wij over toeval praten, we in feite een wiskundig kader voor ogen hebben. Denk bijvoorbeeld maar aan een rad van fortuin. Voor we aan het rad draaien hebben we het draaien al gemodelleerd, en de uitspraak dat de succeskans bijvoorbeeld 1/100 is, is een uitspraak binnen dat model. Hetzelfde gebeurt bij het gooien met een dobbelsteen. En als we de gebeurtenis met het kerkkoor niet bijzonder noemen, dan doen we dat ook binnen het model dat we voor deze gelegenheid in gedachten hebben. De rol van de kansrekening Dat klinkt mooi, maar wanneer heb je daar iets aan? Wanneer heb je iets aan kansrekening? Een precies antwoord op deze vraag is moeilijk te geven, maar het voorgaande maakt wel duidelijk in welke richting ik het zal zoeken. Een kanstheoretisch model wordt zinvol als het zichzelf kan bewijzen. Dat klinkt pragmatisch en dat is het ook. Het is mijn volgende conclusie: Kansrekening is zinvol als het werkt. We kunnen de pragmatische benadering die ik net voorstelde ook op een andere manier bekijken. Om bepaalde processen te beschrijven heb je wellicht in sommige gevallen een kansmodel nodig, maar in andere gevallen kan je misschien beter een deterministisch model gebruiken. Enigszins gechargeerd kun je ook hier misschien zeggen dat je dat model kiest dat jou op dat moment het beste uitkomt. Als blijkt dat een kanstheoretisch model de dingen beter beschrijft dan een model zonder onzekerheid, dan kies je voor een model met onzekerheid. Daarmee heb je dan dus niet een uitspraak gedaan over de vraag of het proces zelf toevallig is of niet. Nogmaals, ik weet niet eens wat dat zou betekenen. Straks, in het tweede deel van mijn lezing zal ik onderzoeken wat al deze informatie over modellen, kansen en de interpretatie hiervan, ons kan vertellen over Dawkins’ beweringen dat het min of meer zeker is dat God niet bestaat. Na alle voorbereidingen die ik nu heb getroffen, zullen we na de pauze snel tot de kern van de zaak kunnen komen. PAUZE In het eerste deel van deze lezing ben ik uitgebreid ingegaan op de interpretatie van kansen. Voor we ons nu gaan storten op de betekenis hiervan voor het geloof in God, is het denk ik verstandig om een aantal conclusies uit het eerste deel van deze lezing nog even op een rijtje te zetten. Samengevat komen de belangrijkste conclusies op het volgende neer. 1. Het begrip toeval is een menselijke uitvinding, bedoeld om het onnoembare toch een naam te kunnen geven. En dus is elke uitspraak die het bestaan van toeval erkent of verwerpt in beginsel een zinledige uitspraak. 2. De keuze om een wiskundig model met onzekerheid te gebruiken zegt niets over de werkende of drijvende krachten achter het proces, dat door het model beschreven wordt. 3. Als we kansen uitrekenen, dan doen we dat per definitie in een wiskundig model. Wat dit met de werkelijkheid te maken heeft, moet elke keer weer blijken. 4. Kansrekening beschrijft en verheldert, maar verklaart niet. 5. Kansrekening is zinvol als het op de één of andere manier werkt. Wat je ziet is het niet Het is duidelijk dat dit rijtje een toevallig rijtje is. Nadat we het eerste getal hebben gekozen worden alle volgende getallen gekozen met behulp van het gooien met een munt. Veel toevalliger kun je een rijtje toch niet maken? Is dat echt zo? Het vreemde van dit toevallige rijtje is dat wanneer ik het van rechts naar links ga lezen, alle toevalligheid helemaal verdwijnt. Het rijtje gelezen van rechts naar links is geheel voorspelbaar. Als u mij het 1000ste getal van de rij vertelt, dan kan ik u vervolgens het 999ste getal vertellen, en daarna het 998ste, enzovoort, tot aan het eerste getal. Wat eerst toevallig leek, is bij nader inzien wellicht helemaal niet zo toevallig meer. Dit vreemde verschijnsel zou een waarschuwing moeten zijn voor al diegenen die menen dat ze weten wat toeval precies is. Zelfs in de wiskunde ligt het er maar aan hoe je tegen de zaak aankijkt. Dit doet me denken aan een voorleesboekje voor mijn kinderen. Het boekje heet "Wat je ziet is het niet", een leerzaam boekje, ook voor volwassenen. Het boekje bestaat uit bladzijden waaruit een bepaald figuur is geknipt, bijvoorbeeld een heks op een bezemsteel. De bladzijde achter deze uitgeknipte heks lijkt helemaal zwart te zijn, en je ziet dus een zwarte heks op een bezemsteel. Wanneer je de bladzijde met het heksengat echter omslaat, dan zie je dat het zichtbare zwart onderdeel was van een grotere zwarte tekening, in dit geval van een grote zwarte rookwolk. De tekst luidt dan: "Ik dacht dat ik een heks door de lucht zag vliegen, maar deze ging in rook op". Religie en wetenschap, een synthese? Een theoloog zal waarschijnlijk hele andere vertrouwde objecten hebben. Als God een theoloog vertrouwen inboezemt, dan zal hij of zij tevreden zijn met een verklaring waarin God centraal staat. Voor een theïst zal de ultieme verklaring van de evolutie zijn dat God de mens heeft gewild. Meer is niet nodig, en alle bijkomende processen en verschijnselen zijn dan alleen maar hulpmiddelen die deze uiteindelijke, ultieme verklaring, ondersteunen. Een atheïst zal dit geen verklaring vinden, want hij heeft geen vertrouwen in God, weet niet wat hij zich daarbij voor moet stellen en gelooft misschien daarom niet in God. Echter, niet geloven in God is zélf al een geloofsuitspraak. Ik vraag altijd als eerste aan een atheïst waar hij nu precies niet in gelooft. Meestal volgt er dan een godsbeeld waar ik zelf ook niet in geloof. Als deze atheïst vervolgens de evolutie met een kansmodel wil verklaren, dan is dat zijn of haar goed recht. Maar bedenk wat de atheïst dan in feite zegt. Het enige wat hij daarmee te kennen geeft is dat het toevalsbegrip hem in zekere zin vertrouwd voorkomt, en dat hij zich tevredenstelt met een verklaring in die termen. Dat is prima, maar niet wezenlijk verschillend van een theïst die vindt, hoopt of gelooft dat God aan de touwtjes trekt. Is dit een synthese van religie en wetenschap? Nou nee, ik denk het niet. Het is een filosofisch standpunt dat zowel de theïst als de atheïst in zijn waarde laat, maar geen poging doet om de twee gezichtspunten met elkaar in overeenstemming te brengen. Het is een persoonlijk standpunt, waar ik voorlopig vrede mee heb. Ik zie religie en wetenschap dus niet als twee verschillende gebieden die misschien een zekere mate van overlap hebben. Ik beschouw de twee gebieden als onlosmakelijk en onontwarbaar met elkaar verbonden. Bijna elk facet van onze samenleving is doordrongen van allebei, en het lijkt me zinloos om te proberen ze uit elkaar te trekken. Nogmaals, er bestaat geen gelijk, er bestaat alleen verschil in smaak. Uiteraard, dat moge duidelijk zijn uit mijn verhaal, behoor ik tot diegenen die denken dat er op de één of andere manier sprake is van ontwerp, doel en zin. Ik denk dat ik niet voor niets op deze aarde rondloop. Soms word ik wel een beetje moedeloos van de zoveelste intellectueel die verklaart dat geloof in God een neurofysiologisch proces is. Dat wordt dan bijvoorbeeld gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat religieuze ervaringen door een bepaald stofje worden veroorzaakt. Ja, natuurlijk heeft elk mentaal of geestelijk proces een fysische component, maar het komt op mij als de opperste platheid over, om het dan voor het gemak ook volledig daartoe te reduceren. God is voor mij een levend en dynamisch begrip, en ik hoop duidelijk te hebben gemaakt waarom de wetenschap mij nooit van dit geloof zal kunnen beroven. Gelukkig maar, want een godsbeeld dat afhankelijk is van wetenschappelijke ontdekkingen is ten dode opgeschreven. Toen ik in een eerdere versie van deze lezing bij het doorlezen op dit punt was aangekomen moest ik wel een beetje grinniken. Zoveel woorden, zoveel gedachten, en dan uiteindelijk concluderen dat het eigenlijk allemaal een kwestie van smaak is. Had ik dat niet direct kunnen zeggen? Ach, soms kost het gewoon veel tijd om het voor de hand liggende te vinden, en te begrijpen. Als wiskundige gebeurt mij dat ook vaak. Na veel ploeteren lijkt de uiteindelijke oplossing dan opeens zo gemakkelijk, had ik daar nou echt 6 maanden over moeten doen? Het doet me ook denken aan de mysticus Jan van den Oever. In één van zijn vele kleurrijke verhalen, vertelde hij hoe hij in India op zoek was naar de waarheid en het doel van het leven. De goeroe waar hij op bezoek was vertelde hem dat hij de volgende dag alle antwoorden zou krijgen. Hoopvol kwam van den Oever de volgende dag terug. Als enige westerling kwam hij terecht tussen allemaal geroutineerde bhajan-zangers, vertolkers van devotionele liederen. Die gingen gewoon met z'n allen zingen en vroegen zich niet af wat het doel of nut was, ze deden het gewoon. Na verloop van tijd werd van den Oever meegezogen in de kadans, en begon maar een beetje mee te doen met een rammelaartje. Meer bleek er die middag niet te gebeuren. "Tja", zei van den Oever, "daar zat ik dan. Ik had alles achter gelaten, mijn huis verkocht, op zoek naar de waarheid, en uiteindelijk moest ik die dus blijkbaar vinden door aan de andere kant van de wereld met een rammelaartje te zwaaien." Je kunt je afvragen of mijn standpunt over wat verklaren eigenlijk is, wel stand kan houden in deze moderne tijd. Het enorme succes van wetenschap en techniek lijkt te pleiten voor de idee dat wetenschap toch meer weet te bereiken dan religie. Dat lijkt mij een misvatting. Het succes van de wetenschap is groot en ontzagwekkend, maar wel eenzijdig. Wetenschappelijke vooruitgang lijkt gepaard te gaan met spirituele armoede. Ik denk dat er een moment komt waarop wij dat als gemeenschap onder ogen gaan zien. De evolutie; weerwoord aan Dawkins Richard Dawkins maakt ergens, ik heb de precieze referentie niet meer kunnen vinden, melding van een computerprogramma waarmee hij evolutionair gedrag wil nabootsen. Dat programma lijkt inderdaad een bepaald evolutionair gedrag op te leveren als je er bepaalde regels voor mutaties instopt. Realiseer je goed dat ik zeg dat je de regels er zelf instopt. Om een computer te kunnen gebruiken, heb je een model nodig. Dawkins maakt dus een model waarin de kans op een mutatie zo en zo groot is, en waarin de kans om te overleven zo en zo groot is. Dan blijkt dat zijn model keurig een mooi evolutiepatroon laat zien. Ja, zo kan ik het ook. Het komt er kort gezegd op neer dat hij simpelweg het evolutionaire karakter al in zijn model gestopt heeft, en dan is het geen wonder dat het model dat ook laat zien. Natuurlijk kan zijn model verklarende kracht hebben, mits verklaren opgevat wordt op de manier zoals ik eerder beschreef. Voor Richard Dawkins, en vele anderen, is het model inderdaad een verklaring, maar nogmaals, dit is een geloofsuitspraak. Richard Dawkins schreeuwt hard, en overtuigt daarmee mensen. Hij beroept zich ten onrechte op wetenschappelijke argumenten. Dawkins begrijpt blijkbaar niet dat elke wetenschapper geloofsovertuigingen heeft, en dat zijn conclusies gebaseerd zijn op die overtuigingen. Voor hem bestaat God niet. Allemaal prima, maar probeer dan niet de indruk te wekken dat de wetenschap God overbodig heeft gemaakt. De manier waarop de visie van Dawkins bij het grote publiek bekend is geworden laat zich prachtig beschrijven door een sprookje uit Transsylvanië. Het is een sprookje dat ik vaak voorlees aan mijn dochtertjes van drie en vijf jaar. Ze vinden het geweldig, en ik ook. Het sprookje heet "Het bange kippetje", en ik lees het u in zijn geheel voor. Er was eens een kippetje, dat wat rondscharrelde in de wei. Toen het onder een boom doorliep, viel er iets op haar staartje. Ze zette het op een lopen tot ze een eendje tegenkwam. `Waarom loop je zo hard, kippetje?' vroeg het eendje. Ze liepen en liepen tot ze een gans tegenkwamen. Die vroeg: `Waarom lopen jullie zo hard?' Daar kwam een hondje aangelopen en vroeg: `Waarom lopen jullie zo hard?' Toen liep het hondje ook mee en ze liepen en liepen steeds maar door. Na een poosje kwamen ze een kalfje tegen. Dat vroeg: `Waarom lopen jullie zo hard?' En dus liep het kalfje ook mee en ze liepen en liepen steeds maar door. Toen kwamen ze een kleine jongen tegen. Die vroeg: `Dieren, waarom lopen jullie zo hard?' De kleine jongen lachte, liep met de dieren naar de wei en zei: `Ga allemaal eens onder de kersenboom staan!' Toen schudde hij aan een tak en de kersen vielen naar beneden bovenop de staartjes van alle dieren. `Is dat de hemel?', vroeg de jongen lachend. `Er is een kers op het staartje van kippetje gevallen en die dacht dat de hemel naar beneden kwam. Hahaha! En jullie geloofden het allemaal.' Toen liepen de dieren stilletjes naar huis en daarmee is het verhaaltje uit. De evolutie; een aanwijzing dat God bestaat? Laten we, zo zegt Ward, eerst aannemen dat God niet bestaat. Dan is de kans op de achter ons liggende evolutie heel klein. Er zijn zo veel gebeurtenissen die dan toevallig plaats hebben moeten vinden, het is niet erg aannemelijk dat dat mogelijk zou zijn. Als we daarentegen aannemen dat er wél een God bestaat, dan wordt de evolutie veel aannemelijker. God kan deze immers sturen naar zijn wil. De conclusie is dat het dus aannemelijker is dat God bestaat dan dat hij niet bestaat. Ikzelf vind deze redenering vooral hoogst amusant. Mijn bezwaar ertegen zal inmiddels bekend zijn. Ward praat over kansen en dus in een model. De realiteit laat zich gelukkig niet verlagen tot een model. De evolutie; interessant voor wiskundigen? De evolutie; geschenk voor de theologie Als de bijbel spreekt over de dramatische acties van God in de wereld, dan geeft het daarmee uitdrukking aan generaties van menselijke ervaringen waarin onvoorspelbare en verrassende gebeurtenissen vaak de gewone gang van zaken verstoorden. De kern van de bijbelverhalen kan ik niet bevatten wanneer ik er alleen maar naar kijk, maar beter wanneer ik samen met die verhalen naar de toekomst kijk. Wij zijn zo gewend om naar het heden en het verleden te kijken dat we niet zonder meer inzien dat bijbelverhalen ons kunnen openen voor de toekomst, en voor dat, wat oprecht nieuw en orgineel is. Ik heb hierbij dus een beeld in gedachten van een God die vanuit de toekomst creëert. Bijbelverhalen krijgen hun betekenis in de toekomst. De betekenis van deze verhalen is voor iedereen verschillend. Het drama van de verhalen is ieders drama, ons drama. Maar voor iedereen ligt de betekenis van de verhalen in de toekomst. Als we het nu lezen zegt het ons misschien niets, maar morgen misschien wel. En als we het volgende jaar opnieuw lezen, dan zegt het ons weer wat anders. De gebeurtenissen in de verhalen krijgen wellicht betekenis in de toekomst. Theologisch gezien is een vanuit de toekomst creërende God helemaal niet zo nieuw. De grote 16e eeuwse joodse kabbalist Jitzchaq Loeria bijvoorbeeld, sprak reeds over een zelfterugtrekking van God, waarbij de schepping de vrijgekomen ruimte in zou nemen. De schepping is dan één grote zelfopoffering van God. Als we God als de toekomst zien, dan is dit proces van zelfterugtrekking voortdurend aan de gang, de toekomst trekt zichzelf terug en laat de schepping toe zich te ontplooien. In dit beeld waarin God onze toekomst is, kunnen we God niet vinden door alleen naar het heden en verleden te kijken. Om deze reden zal de ultieme werkelijkheid ook niet bereikbaar zijn voor wetenschappelijk onderzoek, want de toekomst is niet toegankelijk voor dergelijk onderzoek. Bijbelverhalen kunnen ons de hoop of verwachting geven dat het grote kosmische gebeuren toch niet zinloos zal blijken te zijn. Deze hoop gaat voorbij het terrein waarop de wetenschap zich begeeft. Hoe kan ik deze gedachten in verband brengen met de evolutie? Voor de evolutie zijn drie aspecten noodzakelijk. Op de eerste plaats moet er een zekere orde bestaan. Op de tweede plaats moeten er ongewone gebeurtenissen plaatsvinden die nieuwe dingen kunnen creëren. Dawkins sprak in dit verband over blind toeval, theologen geven de voorkeur aan het woord contingentie. Dit begrip verwijst naar incidentele gebeurtenissen. Naast orde en contingentie is er ook heel veel tijd nodig. De metafysica van de toekomst waar ik het net over had, geeft een ultieme, theologische verklaring voor de orde, contingentie en tijdsspan die de ruwe ingrediënten zijn van de evolutietheorie van Darwin. Wat orde betreft, deze is noodzakelijk om te kunnen spreken over iets nieuws. Als alles chaos zou zijn, dan zou er niets voldoende "af" zijn om überhaupt een zinvolle transformatie te ondergaan. In absolute chaos is het onmogelijk om het nieuwe van het oude te onderscheiden. Contingentie, incidentele of toevallige gebeurtenissen dus, kunnen we interpreteren als de natuurlijke openheid van de natuur voor nieuwe creatie. Gebeurtenissen die puur toevallig lijken, wat dat ook moge betekenen, kunnen, wanneer we ze beschouwen in relatie met het verleden, theologisch begrepen worden als openingen in de vernieuwende toekomst. In het christendom kijkt men naar de toekomst om de betekenis van gebeurtenissen te begrijpen. Toevallige gebeurtenissen krijgen op deze manier een geheel nieuwe en verademende betekenis. Tijd, tenslotte, interpreteren we in deze theologie als de aankomst van de toekomst. Uiteindelijk is het deze nieuwe toekomst die elk moment definitief doet overgaan in het verleden, zodat nieuwe momenten zijn plaats kunnen innemen. Het verleden is een gift welke uiteindelijk komt van een alsmaar nieuwe toekomst. Ikzelf vind dit een prachtig beeld. Het geeft opnieuw geen synthese van religie en wetenschap, maar ik hoop inmiddels duidelijk gemaakt te hebben dat ik die synthese niet zo belangrijk vind. Ik beschouw het als een theologisch antwoord op Darwin, en, zoals ik uitvoerig heb toegelicht, is zo'n theologisch antwoord net zo'n verklaring als het platte materialisme van Richard Dawkins. Het sluit ook goed aan bij enkele leerstukken uit de joodse mystiek, een door mij zeer geliefd onderwerp. In zijn fantastische boek "God is een werkwoord" beschrijft David Cooper het fenomeen schepping als iets dat continu aan de gang is. Elk moment wordt de wereld opnieuw geschapen, alle gedachten, alle daden worden reëel. Als de goddelijke aandacht voor de wereld ook maar één moment zou verzaken, dan zou dat het einde van de wereld betekenen. Deze leerstukken uit de joodse mystiek zijn zeer geschikt om op te mediteren. Het is een onvoorstelbare gedachte dat al mijn gedachten reëel worden zodra ik ze denk. En ik kan u vertellen, dat een dergelijke voorstelling je leven ingrijpend kan veranderen. Tenslotte: de spiritualiteit van de wiskunde Wiskunde heeft de reputatie de meest exacte wetenschap te zijn die er is. De meeste mensen denken dat een wiskundig bewijs volstrekt logisch is. Met strikt logische stappen zou een wiskundige van A naar B redeneren. Hierin zou geen ruimte zijn voor persoonlijke voorkeuren, interpretaties en geloofskwesties. In die zin zou wiskunde zo ongeveer het tegenovergestelde zijn van theologie, waarin persoonlijke opvattingen een zo belangrijke rol vervullen. Ik zal u uit de droom helpen. Wiskunde is veel subjectiever dan u in uw stoutste dromen kunt vermoeden. U denkt wellicht dat wanneer wij een stelling bewijzen, wij ons baseren op een aantal grondregels uit de logica, en dat wij door deze regels strikt te volgen, op een creatieve en orginele manier weliswaar, kunnen bewijzen dat uitspraak B uit uitspraak A volgt. Zo werkt het niet. Als ik een bewijs aan een collega probeer uit te leggen, dan sta ik voor het bord, en probeer hem of haar te overtuigen van mijn argumenten. Uitspraken als "En dan kun je nu eenvoudig inzien dat", of "En dan zie je dat hieruit dat volgt" zijn hier schering en inslag. Als mijn collega na twee keer uitleggen nog niet begrijpt wat ik bedoel, word ik soms wat ongeduldig, en vraag "Maar je snapt toch wel dat dit zo is?" Soms zegt hij of zij uiteindelijk ja, en dan ben ik tevreden. Maar wat snapt hij of zij precies? Wat snap ik precies? Hebben we het over hetzelfde? Als we zeggen dat we allebei iets begrijpen, begrijpen we dan hetzelfde? Wie zal het zeggen, ik weet dat in ieder geval niet. Het ultieme begrijpen is niet in woorden of formules uit te drukken. Wat ik in ieder geval weet is dat de meeste wiskundige bewijsvoeringen gepaard gaan met een zekere vorm van intimidatie die met logica helemaal niets te maken heeft. Vrijwel geen enkele wiskundige is in staat om zijn bewijzen te reduceren tot de strikte regels van de logica. Dit geldt niet alleen voor de toegepaste wiskunde, voor de zogenaamde zuivere wiskunde is het net zo goed waar. Eigenlijk is het te gek voor woorden. Zelfs in de wiskunde zijn we niet in staat om alle ideeën, invallen en begrippen volledig in formules en wiskundige taal uit te drukken. Voor veel mensen komt deze bekentenis als een verrassing. Wellicht wordt mij dit ook niet in dank afgenomen door de wiskundige gemeenschap. Is wiskunde dan niet helemaal objectief? Nee, inderdaad, wiskunde is niet objectief. Er bestaan ook verschillende soorten wiskunde naast elkaar. De ene groep accepteert een bepaalde aanname, de andere niet. Dit is echt een kwestie van acceptatie. Je kunt namelijk aantonen dat je deze aanname kunt bewijzen noch ontkrachten. Een wiskundige moet gewoon een keuze maken: wil ik deze aanname gebruiken of niet. Het antwoord op die vraag heeft niets met logica te maken, maar meer met esthetiek en persoonlijke voorkeuren. Wiskunde is niet het logische bouwwerk waar de meeste mensen het voor houden. Het is eigenlijk nog erger: niemand zal ooit kunnen bewijzen dat de wiskunde geen innerlijke tegenspraken zal bevatten. Dit lijkt vreemd, en voor veel mensen is dit een ernstig obstakel, maar ik heb er persoonlijk geen enkele moeite mee, aangezien ik wiskunde niet als een logisch bouwwerk beschouw. Ik beschouw wiskunde als een spirituele aangelegenheid. Dit klinkt wellicht nog vreemder, en als u mij in mijn dagelijks werk bezig zou zien, dan zou u dit waarschijnlijk nergens uit af kunnen leiden. U zou mij zien worstelen met bewijzen en zien dat ik gefrustreerd raak omdat iets niet wil lukken. Niets menselijks is mij vreemd. Soms, als ik college geef, zou u wellicht iets bespeuren van het spirituele dat ik de wiskunde toebedeel, maar meestal is dat in zeer bedekte termen. Ik weet echter dat er iets in de wiskunde is, dat het niveau van stug doorredeneren en rationaliseren overstijgt. Ik weet dat er iets is wat hoger is dan het logisch redeneren van A naar B. Ik weet dat er iets bestaat als flitsen van inzicht, momenten waarop je als uit het niets opeens iets begrijpt. Ik weet ook dat er momenten zijn waarop ik zeker weet dat één of ander geclaimd resultaat niet juist is. Vraag me niet hoe ik dat weet, ik weet het. Vraag me ook niet waaróm het dan niet juist is, ook dat weet ik niet. Ik weet alleen dát het niet juist is. Voor mij is het bedrijven van wiskunde één van de meest natuurlijke en fascinerende manifestaties van het goddelijke. Dus toch nog iets over religieuze beleving, zo helemaal aan het eind van mijn verhaal. Wanneer beleef ik God, wanneer voel ik mij verbonden met alles, en wanneer voel ik mij in volledige harmonie met mijn omgeving? Dat zijn de vragen die tellen, en het overkomt me soms uit het niets, op de meest idiote momenten en plaatsen. Het gebeurt in de kerk, maar ook als ik autorijd of de vuilnisbak naar de weg breng. Een plotselinge flits van ja zo is het, zo klopt het, en zo zit het in elkaar. Meestal niet iets wat je onder woorden kunt brengen, het is geen rationeel begrijpen. Het is dieper begrijpen. En dat is dus precies wat er in de wiskunde ook gebeurt. Dieper begrijpen, dieper dan de ratio en op een manier die niet in woorden uit te drukken valt. Misschien kunt u het zich nu beter voorstellen. Wiskunde is een van de meest spirituele bezigheden die ik ken en ervaar. Dames en heren, ik heb veel gezegd. Als u straks naar huis gaat, krijgt u de tekst van deze lezing mee. Ik heb u in alle openheid en eerlijkheid vertelt hoe voor mij de relatie tussen geloof, religie en wetenschap op dit moment ligt. Dit is nadrukkelijk een persoonlijk standpunt, ik heb in deze materie uiteraard niet het laatste woord. Mijn eigen gedachten hierover zijn altijd in beweging. Deze beweging wordt onder meer gevoed door interactie met anderen. Er is weinig waar ik zoveel van leer als gesprekken hierover met mensen die weer een andere invalshoek kiezen. Mocht u zich dus geroepen voelen om straks of wanneer dan ook hierover van gedachten te wisselen, dan verwelkom ik dat zeer. Ik wil u hartelijk danken voor uw aanwezigheid en aandacht. Geciteerde en geraadpleegde literatuur |