De constructieve invloed van wetenschap
op de Godvraag

Táhirih-lezing, zondag 26 maart 2000
door Dr. Janine Kallen

Inleiding
De laatste 150 jaar is het wereldbeeld veranderd. De opkomst van de natuurwetenschappen zijn daar debet aan. De natuurwetenschappen hebben de wereld 'onttoverd', d.w.z. dragen wetenschappelijke verklaringen aan voor natuurverschijnselen. Onze kennis over samenstelling, ordening en functioneren van de natuur neemt alsmaar toe. Verklaringen die eeuwenlang op gezag van de Bijbel golden, zijn door de moderne wetenschap achterhaald. Er zijn natuurkundigen die zelfs verwachten dat de natuurwetenschappen op den duur in staat zijn 'alles' te verklaren: vanaf het begin tot en met het einde van het heelal. God raakt daardoor steeds meer uit het zicht, God is niet meer nodig om de wereld te begrijpen.

Er is een tijd geweest dat dat anders was. Eeuwenlang, sinds het bestaan van de religieuze mens, werden verklaringen voor de werkelijkheid gegeven door religies. Omdat mensen al sinds mensenheugenis vragen hebben. Waar komen we vandaan? Waar ligt de oorsprong van het heelal, van de wereld om ons heen, van de dode en de levende natuur en van de mens? En waar gaat dit alles naar toe? Zijn wij op weg naar een bepaald doel of bestemming? Al eeuwenlang komen de antwoorden op deze vragen van de kant van de religies. Iedere religie kent zijn scheppingsverhalen die in religieuze, gelovige taal vertellen over het allereerste begin van hemel en aarde en van de mens. En iedere religie wil de mens richting geven, op weg naar een uiteindelijk doel.

In deze tijd juichen veel mensen het toe dat het verstand - het nuchtere constateren en verklaren - het wint van mythologische en bovennatuurlijke verklaringen. Zij zien dit als een stap voorwaarts in culturele ontwikkeling. Anderen voelen zich er juist niet gelukkig bij en zoeken naar - nieuwe - 'hertovering'. Ook binnen de wetenschap zijn er mensen die zich afvragen of de hoge vlucht van de natuurwetenschappen rechtvaardigt dat het spreken over God als overbodig en achterhaald kan worden beschouwd. Zij verdiepen zich in de vraag:
K
un je als modern denkend mens én de resultaten van wetenschappelijk onderzoek én de ervaringen van een geloofsovertuiging en een godsdienstige traditie en theologie met elkaar verbinden?

Methodisch lijken de verschillen tussen beide disciplines onoverbrugbaar. Aan de ene kant zijn daar de natuurwetenschappen met hun analyse, empirie, meten, toetsen, experimenteren, aan de andere kant de theologie die zich beroept op ervaring en openbaring, die zich bedient van symboliek en taalspel.

De natuurwetenschappen beperken zich tot dat wat zintuiglijk waarneembaar is. De theologie/filosofie wil de zichtbare (contingente) werkelijkheid overstijgen en zoekt naar een bovennatuurlijke (metafysische, transcendente) oorzaak/doel.

Beide disciplines zijn een uiting van rationaliteit, van logisch denken. Overeenkomst ligt op het niveau van het doel: het vergaren van kennis omtrent de werkelijkheid. Alleen: theologie vertrekt vanuit de vooronderstelling dat er een bovennatuur is die alles van doen heeft met de zichtbare werkelijkheid en zij neemt menselijke ervaringen m.b.t. die bovennatuur serieus.

Er zijn wetenschappers die van mening zijn dat geloof/theologie en (natuur)wetenschap twee totaal verschillende disciplines zijn, die gescheiden moeten blijven. Een dialoog tussen beide is zinloos, zij bewegen zich ieder op een eigen terrein zonder onderlinge raakvlakken.

Toch zijn er ook natuurwetenschappers en theologen die vinden dat hiermee niet alles is gezegd. Want welbeschouwd beperkt onze kennis zich tot louter beschrijven van de natuur en je kunt je afvragen: is dat wel voldoende om de kern van het bestaan te doorgronden? Zij vragen zich af: is religiositeit werkelijk niet meer dan een 'genetisch foefje' of zit er ook een andere waarheid achter? Verliest de Bijbelse boodschap aan zeggingskracht of is deze de neerslag van een door God gegeven evolutionair ontwikkeld menselijk vermogen dat ons in staat stelt meer zicht te krijgen op oorsprong en doel van het bestaan?

Het zijn dergelijke legitieme en boeiende vragen waardoor steeds meer theologen en natuurwetenschappers met elkaar in gesprek raken. Wetenschap en religie hebben immers met elkaar gemeen dat zij een verklaring willen geven voor de werkelijkheid. Ze hebben daarbij ieder hun eigen aanpak, zijn als het ware twee kanten van dezelfde medaille. Wetenschap geeft feiten en de mogelijkheid de natuur te beheersen. Religie levert wijsheid op, inzicht over hoe te handelen en wijst op het belang van respect en liefde waardoor samenleven in vrede mogelijk wordt.

Op grond van de belijdenis van God als Schepper is het voor de theologie m.i. noodzakelijk dat zij de bevindingen van de natuurwetenschappen in haar denken meeneemt, wil zij op het wetenschappelijk toernooiveld een geloofwaardige plaats hebben.

In mijn redeneren vertrek ik derhalve vanuit twee vooronderstellingen:

  • God is Schepper van hemel en aarde en de mens is beeld van God
  • De mens is biologisch geconditioneerd en door een evolutionair proces gevormd.

I. Een gang door de tijd
Het grote verschil tussen vóór en ná de opkomst van de natuurwetenschappen.

1. Plato (428-348 v. Chr.) met zijn leer van de ideeën
Het ideale en het afgeleide
Plato (428-348 v. Chr.) veronderstelde dat de zintuiglijk waarneembare wereld niet meer is dan een afschaduwing van de eeuwige, onveranderlijke, ware ideeën of oerbeelden. Plato gebruikte het begrip 'idee' ('eidos') in strikt wijsgerige zin, als synomiem voor dat wat een veelheid aan individuele objecten gemeenschappelijk bezit. Het idee is geen product van de menselijke geest maar is de werkelijkheid bij uitstek van de dingen zelf, zoals deze zelfstandig, onafhankelijk van ons denken bestaan. Het idee geeft totaliteit, identiteit, algemeenheid en normeert het denken. Geldige kennis kan alleen via deze algemene begrippen worden bereikt. Daarentegen is de veranderlijkheid van de werkelijkheid slechts schijn. De zintuiglijk waarneembare werkelijkheid is als het ware doorschijnend: het ideeële schijnt erin door. Het materiele is een illusie, is verwarrend en levert derhalve geen kennis op. De invloed van de filosofie van Plato is in de Oudheid en lang daarna zeer groot geweest. Het kenproces van het platonisme, het neoplatonisme en van latere platoons georienteerde filosofieën, tot in onze tijd toe, is gericht op dat wat stabiel is en onveranderlijk.

2. Aristoteles (384-322 v. Chr.) met zijn teleologische denken
Verandering door doeloorzakelijkheid
In het verlengde van dit idealisme ligt het teleologisch denken. Een teleologische verklaring van een gebeuren is een verklaring vanuit het doel waarop dat gebeuren gericht is. Een verklaring kan volgens deze visie slechts volledig zijn wanneer de doelmatigheid erin wordt betrokken. Aan de teleologische natuurverklaring ligt de gedachte ten grondslag dat er een kracht aan het werk is die alles op een bepaalde (let wel: ideale!) manier inricht. Er zijn dan twee opvattingen te onderscheiden.

Allereerst: men neemt aan dat de doelmatigheid zó verweven is met de natuurlijke gang van zaken, dat deze een doelmatige is. Dit is de opvatting van Aristoteles (384-322 v. Chr.). Volgens hem geldt voor het gehele natuurgebeuren dat de dingen er in het algemeen naar streven de in hun eigen natuur gelegen doeleinden te verwerkelijken. Aristoteles vond de duidelijkste argumenten voor zijn opvattingen in de levende natuur. In tegenstelling tot Plato en diens geestverwanten, achtte Aristoteles het van groot belang de materiele werkelijkheid te bestuderen. Centraal in zijn ontologie staan individuele stoffelijke substanties ('ousia'). Ieder individueel stoffelijk wezen heeft een vormaspect ('morphe': de wezensvorm die een individuele substantie gemeen heeft met andere individuen van dezelfde soort: 'eidos') en een stofaspect ('hule': het bepaalbare materiaal dat samen met de algemene wezensvorm een individuele substantie uitmaakt). Hoewel we de wezensvorm in ons denken kunnen onderscheiden van het concrete wezen, zijn zij in werkelijkheid verbonden: de wezensvorm is geen apart ideaal zijnde naast het concrete individu (zoals bij Plato) maar ligt ingesloten in het individuele wezen en bestaat daardoor zelf individueel. Aristoteles maakte als eerste een uitgebreide, analytische studie van de levensvormen en levensverschijnselen van hoog tot laag; vandaar dat hij gezien wordt als de grondlegger van de biologie. Hij was geboeid door het gegeven dat stoffelijke substanties bewegen en veranderen ('kinesis').

In ontstaan en vergaan zag hij wezenlijke veranderingen; alle andere veranderingen (kwalitatief, kwantitatief en positioneel) typeerde hij als accidenteel, niet van wezenlijk belang. Hij zag in de verandering de voortgaande verwerkelijking van datgene wat potentieel aanwezig is. Elk stoffelijk wezen is te onderscheiden als zijnde in aanleg ('dunamis') en zijnde in voltooiing ('energeia' of 'entelecheia'). Zo maakte hij o.a. een studie van de embryonale ontwikkeling van de kip. Uit dergelijke studies concludeerde hij dat het doel voor het zich ontwikkelende organisme, de adulte vorm, de veranderingen verklaart die het embryo moet doormaken om uiteindelijk dit doel te bereiken. Aan de verandering ligt een bestemming als oorzaak van die verandering ten grondslag. De verandering of wording is er omwille van de voltooiing of vervulling. Zijn opvatting, getypeerd in de uitspraak 'de natuur doet niets vergeefs' is van grote invloed geweest op het latere natuurwetenschappelijk denken. Tegenwoordig heeft de natuurwetenschap deze leer van de immanente finaliteit, zoals de aristotelische teleologie ook wel wordt aangeduid, uitgebannen. Echter binnen de meeste, zoniet alle, vakgebieden van de biologie zijn verklaringen in termen van doeloorzakelijkheid nog steeds gebruikelijk.

Doeloorzakelijkheid en rangorde (hiërarchie) van de organismen: Scala Naturae
Daarnaast raakte het teleologisch denken geassocieerd met bovennatuurlijke krachten die geacht werden de onzichtbare, niet te doorgronden drijfveer te zijn achter ontwikkelingen die zich voordeden. Er moet een eerste begin, een 'arche' van beweging en verandering zijn. Aristoteles sprak van het Eerste Bewegende of de Onbewogen Beweger ('kinoun akineton'). Niet mechanisch gezien, als de eerste stoot die gegeven wordt, maar eschatologisch gezien, op de wijze van het volstrekt Voltooide, het na te streven Einddoel dat al het onvoltooide aantrekt en dit zo, zonder actief ingrijpen, gericht in beweging zet. Het ideale, gezien als louter 'energeia', werd het doel waarnaar de zichtbare wereld op weg is, maar het ideale werd ook de oorsprong waarvan de waarneembare werkelijkheid een afspiegeling vormt. Anders gezegd: het ideale leverde de bewijsvoering voor een goddelijke oorsprong en een goddelijk, volmaakt concept dat in de toekomst verwezenlijkt zal worden. Later spreekt de Middeleeuwse Scholastiek van de causa finalis. Aristoteles bouwde op bovenstaande gedachten verder en kwam zo tot de ordening van levensvormen weergegeven in zijn Scala Naturae. Deze toont een trapsgewijs geordend verband tussen groepen van verwant geachte species. De indeling verloopt hiërarchisch en progressief: van de lagere, onvolmaakte organismen naar de hogere, meer perfecte organismen, met de mens aan de top. Deze denkrichting escaleert in de eeuwen daarna dusdanig dat bijvoorbeeld Plinius de Oudere (23-79 n. C.) in zijn Naturalis Historia zelfs zo ver gaat dat hij veronderstelt dat alle soorten gevormd zijn enkel en alleen ten bate van de mens.

3. Andere geluiden
Er klonken in de Oudheid ook andere geluiden. Helaas raakten deze echter overstemt door de latere, toonaangevende platoonse en aristotelische filosofieën. Zo meende Heraclites (ca. 530-475 v. C.) dat de veranderlijkheid het wezen van de stof is. De leer van Heraclites is door een latere schrijver samengevat in de beroemde woorden: 'panta rhei', 'alles stroomt'. Democritus van Abder (ca. 460-370 v. C.) wilde beide standpunten verzoenen met zijn leer van de onveranderlijke maar beweeglijke atomen, een opvatting die later vruchtbaar bleek te zijn voor de scheikunde. Verrassend is het eveneens, dat het idee van Darwin dat organismen door de tijd heen ontwikkelen, al heel oud is. Het is voor het eerst als zodanig geformuleerd door Anaximander (ca. 611-545 v. C.), een Grieks natuurfilosoof, leerling van Thales van Milete. Anaximander ontwikkelde ideeën over het verloop van de veranderingen van visachtige dieren en dieren met een geschubde huid tot dieren op het land. Empedocles van Agrigentum (ca. 490-430 v. C.) meende dat de individuele levende wezens zijn ontstaan als vreemde samenvoegsels van organen van allerlei aard, zoals een mens met een hondekop of dieren met armen als takken van een boom. Alleen die wezens wier delen toevallig zó samengevoegd werden dat er een in de praktijk bruikbaar geheel ontstond, waren in staat te overleven. Inderdaad, er is niets nieuws onder de zon. Ruim twee millennia later spreekt Darwin over natuurlijke selectie. En momenteel leven wetenschappers hun meest inventieve creationistische ideeën achter het beeldscherm uit met behulp van computersimulaties en komen zo tot de ontdekking dat Agrigentum gelijk had!

4. Augustinus (354- 430)
Teleologisch en hiërarchisch denken gekoppeld aan het Joods-Christelijk scheppingsgeloof.
De beschouwingen van Augustinus van Hippo (354 - 430) over de schepping en vorming van levende wezens vormen een fraaie illustratie van de versmelting van Joods-Christelijke opvattingen en Griekse filosofie. Augustinus gaat er van uit dat deze werkelijkheid geheel door goddelijke creatie is voortgebracht. Volgens hem waren alle dingen in het begin tegelijk geschapen en wel in overeenstemming met de goddelijke ideeën. Deze ideeën werden bij de schepping omgezet in kiemen en oorzaken. Door samenspel van beide kon het geschapene zich in de tijd ontwikkelen. Dit betekent niet dat alle waarneembare dingen meteen na de schepping in volledige mate aanwezig waren. Zij waren wel aanwezig maar veelal nog slechts in potentie, in concrete kiemvormen. Onder leiding van de goddelijke voorzienigheid kunnen zij zich in de loop van de tijd ontplooien. Augustinus ziet deze ontwikkeling als een natuurlijk proces, dat zonder een bovennatuurlijk ingrijpen van God tot stand kan komen. In dit licht moet ook zijn beschouwing over het idee van de 'generatio spontanea' gezien worden. Dit idee stamt van Aristoteles en houdt in dat levende organismen spontaan, uit levenloze, vaak rottende stoffen ontstaan. Deze opvatting heeft tot in de late Middeleeuwen het ontstaansvraagstuk beheerst. Augustinus neemt deze visie in aangepaste vorm over. Volgens hem zijn er van alle organismen concrete kiemen in deze wereld aanwezig. Sommige zijn voor onze ogen zichtbaar in de vorm van eieren en vruchten, andere zijn klein en verborgen. Deze verborgen kiemen leveren de fundamentele verklaring van het generatio spontanea-verschijnsel. Zij ontstaan nl. niet steeds weer opnieuw (zoals Aristoteles veronderstelde) maar, en hier ligt het punt van de aanpassing, zij zijn oorspronkelijk geschapen. Generatio spontanea is dus volgens Augustinus daaraan te danken dat na de schepping een grote hoeveelheid van deze verborgen kiemen is overgeschoten zodat deze nu nog voortdurend het geschapene continueren.

Een ander aspect, dat eveneens door Augustinus wordt uitgewerkt, is het idee dat bij het begin van de schepping het geschapene volmaakt was. Dit ideaal ging echter verloren door inmenging van het kwaad dat leidde tot de zondeval van de mens die daarbij de hele schepping meesleurt in zijn val. Dat ideaal van het begin van de schepping staat model voor het eschatologisch perspectief: het geeft richting en invulling aan de uiteindelijke voltooiing.

Het concept van de Scala Naturae (later uitgewerkt in de vorm van de 'Ladder of Nature' of 'The Great Chain of Being'), het idee van de generatio spontanea, de teleologische kijk op veranderlijkheid en het geloof in de goddelijke voorzienigheid zijn de pilaren waarop zowel wereldbeschouwelijk denken als (natuur)wetenschappelijk denken tot ver in de 19e eeuw steunen.

5. Thomas van Aquino (ca, 1225-1274)
Thomas van Aquino was een van de grote middeleeuwse theologen die lange tijd een stempel heeft gedrukt op de theologie. In de 13e eeuw gingen theologie en wetenschap nog hand in hand. De wetenschap over de wereld, zegt Thomas, levert ons kennis van God. Kennis van God krijgen we dus uit de Schrift, maar ook uit de natuur omdat deze door God geschapen is. Zo had men het idee dat er twee 'boeken' waren waaruit men over God kon lezen: de Schrift en de kosmos. Als we geloven dat God Schepper is, zoals de Abrahamitische godsdiensten dat belijden, dan is de idee van de kosmos, de natuur als (onvolkomen) beeld van God zeer voor de hand liggend en plausibel. Dat gaat ook goed, totdat de twee boeken - de Schrift en de natuur - elkaar gaan tegenspreken.

II. De bevindingen van de natuurwetenschappen
Het eeuwenlang gangbare wereldbeeld en godsbeeld begint bij het opkomen van de natuurwetenschappen te wankelen. In onze tijd beschouwt men de natuur als autonoom, onafhankelijk van bovennatuurlijke oorzaken en sturingen. Hieronder staan de natuurwetenschappelijke bevindingen vermeld die van doorslaggevende invloed zijn geweest op het ontstaan van een nieuw wereldbeeld en tegelijkertijd het uit het zicht raken van God.

1. De astronoom Copernicus (1473-1543)
De Copernicaanse wending: van geocentrisch naar heliocentrisch
Copernicus kwam tot de overtuiging dat niet de aarde, maar de zon het centrum van het heelal was. Dit werd driekwart eeuw later bevestigd door de bevindingen van Galileo Galilei (1564-1642). Deze opvatting, ook wel mechanistisch wereldbeeld genoemd, is in strijd met de Bijbel. In het boek Jozua staat dat God Jozua's verzoek verhoort en terwille van de overwinning van de Israëlieten de zon en de maan gedurende enige tijd doet stilstaan (Jozua 10, 12-14). Dus als God de zon doet stilstaan, betekent dat dat de zon onder normale omstandigheden beweegt. Bovendien, als de aarde niet meer het centrum zou zijn van de kosmos, dan is ze niet meer dan een stipje temidden van andere stipjes in de ruimte.

2. De wis- en natuurkundige Isaac Newton (1642-1727)
Zwaartekracht en traagheidswet
Newton ontdekte de wet van de zwaartekracht, dat alle lichamen (massa's) elkaar aantrekken. Hij leverde zo een theoretische basis voor de banen van de planeten, waarbij deze werden 'onttoverd' tot gewone materie.

Nog ingrijpender was de traagheidswet. Deze houdt in, dat een voorwerp dat met een bepaalde snelheid voortbeweegt in die beweging blijft volharden, tenzij het door krachten van buiten gedwongen wordt in een andere bewegingstoestand over te gaan. Dit impliceert dat er geen verklaring meer nodig is voor het in beweging blijven van een lichaam. Voor het behoud van beweging is niks of niemand meer nodig, dus ook God niet.

Dat betekent een enorme omslag in het wereldbeeld. God die overal noodzakelijk gedacht werd, omdat het hele leven bewegen is, lijkt opeens buiten de werkelijkheid te staan.

3. Charles Darwin (1809-1882)
In 1859 publiceerde Charles Darwin zijn boek, kortweg aangeduid als The Origin of Species. In dit boek doet hij verslag van de observaties die hij had gemaakt tijdens zijn vijfjarige reis met het zeilschip 'The Beagle' en de inzichten waartoe deze hem brachten. Het eerste, minder uitvoerige manuscript lag al ruim 15 jaar ongepubliceerd in de la. Darwin ging pas in 1859 over tot publicatie omdat hij een jaar daarvoor een manuscript van Wallace (1823-1913) had ontvangen. Wallace had net als Darwin veel over de wereld gezworven en vele exotische gebieden bezocht. Ook hij had een uitgebreide studie gemaakt van de verschillende diersoorten op zijn tocht. Het bleek dat beiden, na het lezen van een boek van Malthus over de ontwikkeling van menselijke populaties, tot hetzelfde inzicht waren gekomen en daar tevens dezelfde term voor hadden gekozen: natuurlijke selectie als sturingsmechanisme voor evolutionaire ontwikkelingen.

De theorie van de natuurlijke selectie van Darwin en Wallace staat haaks op de aloude speculatieve, teleologische redeneringen die zich baseerden op een mystische, zich aan onze waarnemingen onttrekkende, vormende oorzaak. De theorie van de natuurlijke selectie is gebaseerd op louter natuurlijke processen, die wordt gestaafd met argumenten afkomstig van observaties.

Kort samengevat kent de theorie van de natuurlijke selectie drie belangrijke aspecten:

  1. Er is een direct verband tussen de grootte van een populatie en het in de omgeving voor handen zijn van voedsel en leefruimte.
  2. De nakomelingen van een ouderpaar verschillen vaak in enkele eigenschappen: dit is de variabiliteit. Verschillen in individuele eigenschappen zullen ten gevolge van competitie bepalend zijn voor de overlevingskansen van individuen. Wanneer een verschil voordelig is in een bepaalde situatie, heeft een individu dat drager is van een dergelijk verschil in de strijd om het bestaan meer kans te overleven en zich voort te planten.
  3. Wanneer dergelijke verschillen erfelijk zijn d.w.z. veroorzaakt door toevallige genetische mutaties, zijn de nakomelingen eveneens bevoordeeld of beter aangepast aan de omstandigheden. Ook zij zullen beter overleven en meer kans hebben zich voort te planten. Er komt op die manier een proces op gang dat leidt tot een soortsontwikkeling waarbinnen de individuen steeds beter zijn toegerust om in hun leefomgeving te overleven.

Voorwaarde voor het verloop van evolutionaire veranderingen is het steeds weer opnieuw ontstaan van variaties met betrekking tot erfelijke eigenschappen. Voor Darwin lag hierin een groot probleem. In zijn tijd ging men ervan uit dat erfelijke eigenschappen, wanneer deze worden doorgegeven aan nakomelingen, als het ware 'uitdoven'. Men veronderstelde dat deze maar voor de helft aan iedere volgende generatie werden doorgegeven en dus na luttele generaties volledig verdwenen zouden zijn. De genetica, te beginnen met Mendel , heeft uiteindelijk aan de evolutietheorie van Darwin vaste grond gegeven, door aan te tonen dat biologische eigenschappen gecodeerd liggen op discrete eenheden, genen, en dat deze volledig, 'onverdund' worden doorgegeven aan het nageslacht. Het heeft tot in de 20ger jaren geduurd voordat het werk van Mendel werd ontdekt en de waarde ervan werd ingezien. Integratie van Darwinisme en genetische inzichten leidden tot wat genoemd wordt het Neo-Darwinisme: de theorie die evolutie beschouwt als een proces van veranderingen in genenfrequenties waarbij natuurlijke selectie van toevallig optredende mutaties de belangrijkste oorzaak van deze veranderingen is.

De huidige stand van zaken
De vragen rondom evolutionaire processen liggen op drie verschillende niveaus.
Allereerst op het niveau van het feitelijke gebeuren, waar de vraag wordt gesteld of het überhaupt zo is dat organismen door de tijd heen veranderen. De bewijsvoering en argumenten hiervoor worden verzameld door de geologie en de paleontologie. Vervolgens op het niveau van het mechanisme achter de anatomische en functionele veranderingen in de tijd. Op dit laatste terrein ligt de verdienste van Darwin en Wallace. Tenslotte op het niveau van het verloop van de evolutie. Welke concrete veranderingen in bouw en functie hebben in de loop van de tijd plaatsgevonden? Antwoorden op deze vraag worden gevonden via de vergelijkende embryologie, de vergelijkende anatomie, de vergelijkende fysiologie en de moleculaire biologie.

Tegenwoordig is de evolutietheorie binnen de biologie algemeen aanvaard. De wetenschappelijk aangevoerde argumenten zijn thans zodanig dat men kan stellen dat evolutie, d.w.z. verandering van soorten door de tijd heen en het onstaan van nieuwe soorten uit oudere vormen, een feit is. De vraagstellingen in deze tijd spelen zich dan ook niet meer af rondom de vraag of evolutie heeft plaatsgevonden, noch rondom het mechanisme achter evolutionaire processen, maar liggen op het niveau van het exacte verloop van evolutielijnen.

Op de allereerste plaats hield de evolutiebiologie zich bezig met het traceren van verwantschappen en afstammingslijnen tussen soorten middels het bestuderen van gemeenschappelijke cq. van elkaar af te leiden anatomische en fysiologisch kenmerken. Daarbij nam de inzichtelijkheid van het sturende principe van evolutionaire ontwikkeling toe: alleen vermogens die adaptief zijn - of voor het voortbestaan irrelevant - worden uitgeselecteerd. In eerste instantie was men daarbij dus gefocust op lichamelijke eigenschappen en vermogens. Maar langzamerhand kwam steeds vaker het idee naar voren dat ook geestlijke vermogens als bewustzijn, vrije wil, communicatief gedrag, taal, ethiek en religiositeit wel eens - met name menselijke - eigenschappen zouden kunnen zijn, ontstaan, ontwikkeld en behouden omdat ze de overlevingskansen vergroten. De tak van de evolutiebiologie die zich hiermee bezighoudt, is de sociobiologie.

4. de sociobiologie
Gedrag en cultuur als biologisch studie-object: het sociaal-darwinisme
In het begin van deze eeuw waren er biologen die ervan overtuigd waren dat natuurlijke selectie niet alleen resulteert in een evolutie van anatomische en fysiologische eigenschappen maar dat hierin ook de oorzaak ligt voor de ontwikkeling van cultuur en maatschappij. Dit leidde tot het idee van wat werd genoemd het sociaal-darwinisme.

Het concept van deze theorie luidde:

  • Verschillen tussen individuele mensen en groepen ontstaan gestuurd door natuurlijke selectie
  • Natuurlijke selectie is het mechanisme dat nationaal gezien, leidt tot het ontstaan van verschillende sociale klassen en internationaal gezien, leidt tot economische, militaire en sociale machtsverschillen

Aanhangers van het sociaal-darwinisme zagen hierin een legitimatie voor het overheersen van de ene cultuur boven de andere, het ene ras boven het andere en de ene maatschappijvorm boven de andere. Het sociaal-darwinisme verwoordde Darwins inzichten met slogans als 'struggle for life' en 'survival of the fittest' . Kapitalistische denkers omarmden dit idee en wakkerden hiermee concurrentie en vrije marktmecha-nismen aan. Het werd een aanlokkelijke ideologie voor veel individuele mensen en groeperingen die in een 'superieure' sociale positie verkeerden of deze graag wilden verkrijgen. Deze idee nam extreme vormen aan binnen het Duitse nationaal-socialisme, dat erop uit was 'inferieure' rassen te vernietigen en op die manier het tot stand komen van een superieur mensenras te realiseren.

Tegen dit sociaal-darwinisme zijn, vanuit ethische, religieuze, filosofische en sociaalwetenschap-pelijke hoek, terecht felle protesten gerezen. Zo fel, dat het van de kant van de biologie een paar decennia stil bleef voor wat betreft het onderzoeken van de relatie tussen natuur en cultuur.

Sociobiologie: een nieuwe aanzet
Toch kan men moeilijk ontkennen dat er biologische fundamenten zijn voor sociaal gedrag. Er zijn aantoonbare biologisch bepaalde driften die ten grondslag liggen aan communicatieve gedragingen als vriendschap, sexualiteit, het opvoeden van kinderen, incestbarrières, altruïsme of de omgang met vreemdelingen.

Gedragscodes op deze terreinen gelden voor alle mensen, ongeacht hun culturele achtergrond en deze inzichten leidden tot de opvatting dat culturele evolutie een biologische basis heeft. Dit idee vormt het uitgangspunt van de sociobiologie.

Edward O. Wilson die beschouwd wordt als de grondlegger van de sociobiologie, definieert deze tak van wetenschap als volgt:

sociobiologie is de systematische studie van de biologische basis van alle vormen van sociaal gedrag bij alle diersoorten, de mens incluis.

Natuur en cultuur
De mogelijkheid tot vorming van een cultuur is gegeven door het menselijke vermogen te leren. Intelligentie, verstand is een voorwaarde. Op die manier maken mensen zich gedrag en kennis eigen. Mensen hebben inzicht in eigen levensbehoeften en lichamelijke mogelijkheden en beperkingen. Mensen zijn zo in staat hun omgeving zo goed mogelijk aan te passen aan hun behoeften. De mens heeft in de culturele evolutie de teleologie (het doelgerichte denken) ingebracht. Hierin ligt de oorzaak voor het snelle verloop van de culturele evolutie. De mens kan hier zelf sturen. Daardoor zijn mensen in staat onder zeer verschillende omstandigheden te leven. Tot op zekere hoogte kunnen wij de eigen omgeving aan onze wensen aanpassen. Al die adaptieve kennis is overdraagbaar via communicatieve vaardigheden als nabootsing, taal, onderwijs. Culturele adaptatie wordt daardoor niet beperkt doorgegeven - zoals biologische mutaties alleen worden doorgegeven aan het nageslacht - maar kan ook aan niet-bloedverwanten, niet-volksgenoten, niet-tijdgenoten worden overgedragen. De sociale structuren zijn daardoor complexer. Er is een bewustzijn dat uitstijgt boven de biologische fixatie op bloedverwantschap: een besef van verbondenheid, ook tussen volslagen vreemden, is een feit. Anders geformuleerd: biologische eigenschappen worden lineair doorgegeven, culturele eigenschappen horizontaal. De mens beschikt zo over twee overerfbare informatiesystemen: een genetisch systeem voor biologische eigenschappen en een extragenetisch systeem voor culturele eigenschappen. Zo'n 10.000 jaar geleden is onze culturele evolutie in een stroomversnelling geraakt. De mens is sindsdien van een jagers- en verzamelaarsgemeenschap uitgegroeid tot de metropoliet van deze tijd. Biologisch gezien hebben we gedurende diezelfde periode geen waarneembare veranderingen doorgemaakt.

Er is dus aan de ene kant een groot verschil tussen culturele en biologische evolutie. De eerste is doelgericht en wordt door de mens gestuurd, de tweede berust op toevallige omstandigheden en selectie. Maar aan de andere kant, culturele evolutie is wel noodzakelijk verbonden met biologische evolutie, want deze is afhankelijk van biologisch bepaalde menselijke vermogens als zintuiglijke waarneming, neurale integratie, geheugen, leervermogen, bewustzijn, intelligentie, taal. Het zijn deze verbindingen die de sociobiologie wil opsporen en inzichtelijk maken.

De vraagstelling van de sociobiologie is dus: hoe hecht is culturele evolutie verbonden met biologische evolutie? In hoeverre is culturele evolutie gefundeerd in en gestructureerd en gestuurd door biologische evolutie? Daarmee is meteen een belangrijke karakteristiek van de sociobiologie gegeven: deze bouwt voort op het gedachtegoed van de klassieke evolutieleer en wordt beschouwd als een moderne pendant hiervan. Binnen de sociobiologie gelden dan ook dezelfde paradigmata als in het algemeen voor de evolutietheorie: adaptatie, natuurlijke selectie, overlevingskansen en voortplantingssucces. Het is een wetenschap waarbij biologie, sociologie, antropologie en psychologie geïntegreerd worden. Het is een consequente toepassing van de evolutietheorie op alle aspecten van het menselijk bestaan.

Sociobiologie ziet gedrag, voorwaardelijk voor communicatie en cultuurvorming, als een complex van eigenschappen die een individu - en met enige restrictie de soort - voordeel of nadeel kan opleveren m.b.t. overlevingskansen en voortplanting. Ook gedrag is gevormd onder invloed van selectiedruk. Alleen adaptief gedrag wordt bevoordeeld.

6. Sociobiologie en religiositeit
Altruïsme en religieus gedrag
Sociaal gedrag is een voorwaarde voor culturele ontwikkeling. Sociaal gedrag is per definitie coöperatief gedrag. Coöperatie staat of valt met het vermogen te kunnen samenwerken. De sociobiologie ziet dit vermogen tot samenwerking als een biologisch bepaald complex van gedragseigenschappen. Sociobiologisch gezien is religieus gedrag van belang voor het stimuleren en organiseren van samenwerkingsstrategieën in groepsverband. Religie formuleert gedragsregels, normen en waarden, die onderlinge verhoudingen tussen leden van dezelfde groep sanctioneren. Religie bedwingt egoïstische driften, legitimeert taakverdeling en hierarchische verhoudingen. Religie stimuleert en beloont altruïstisch gedrag. Religie dwingt zo onderlinge samenwerking af, hetgeen de overlevingskansen en dus ook het voortplantingssucces van de individuen en van de groep (samenleving) als geheel ten goede komt.

Een darwinistische visie
Voor een correcte theorievorming binnen de sociobiologie is het van groot belang het werk van Darwin juist te interpreteren. Voor een goed verstaan van de reikwijdte van de evolutieleer is het dan ook van belang een drietal hoofdpunten binnen de theorie van de sociobiologie aan de orde te stellen, die als leidraad voor de argumentaties gelden. Deze zijn rechtstreeks afgeleid uit Darwins evolutietheorie en de daarbij aansluitende moderne ontwikkelingen binnen de genetica en de moleculaire biologie.

  1. Natuurlijke selectie speelt zich af op het niveau van het individuele organisme. Dat geldt ook voor genetisch gefundeerde kenmerken op cultureel niveau.
  2. De sociobiologie distantieert zich uitdrukkelijk van excessen binnen het denken over evolutie, zoals het concept van het neodarwinisme m.b.t. 'survival of the fittest'. Een dergelijke zienswijze is de betreurenswaardige uitkomst van een verkeerde interpretatie van wat natuurlijke selectie in feite is nl. de opvatting dat evolutie vanzelfsprekend leidt tot verbetering, hogere ontwikkeling, meer complexiteit, gezondheid, welvaart, macht, perfectie. In de strikte zin van de Darwinistische betekenis van natuurlijke selectie, zijn begrippen als 'meer ontwikkeld', 'minder ontwikkeld', 'hoger' of 'lager' volstrekt niet aan de orde. Natuurlijke selectie selecteert uitsluitend op reproductiviteit. Met andere woorden, natuurlijke selectie hanteert een quantitatieve maat, selecteert op grond van voortplantingssucces. Natuurlijke selectie impliceert niet noodzakelijkerwijs qualitatieve verbeteringen, superioriteit of verbetering van individuele eigenschappen.
  3. Alle organismen coderen hun genetisch materiaal in de vorm van DNA (of het vrijwel gelijkvormige RNA). In zeer diverse organismen zoals eencelligen, planten, dieren en de mens is de codering voor overeenkomstige peptiden en eiwitten (nagenoeg) identiek. Het is dan ook zeer wel mogelijk dat al deze organismen, hoezeer ook gescheiden door een indrukwekkende evolutionaire ontwikkeling, afstammen van oerorganismen met overdraagbare eigenschappen gecodeerd in de vorm van DNA. DNA-achtige stoffen zijn echter zeer kwetsbaar en kunnen niet overleven in een omgeving die zuurstof bevat. Men veronderstelt dat DNA dan ook, sinds de ontwikkeling van een zuurstof bevattende atmosfeer en hoogstwaarschijnlijk al ver daarvoor, verpakt moest worden in een beschermend omhulsel. Hier komt natuurlijke selectie al om de hoek kijken: alleen DNA dat tevens de genetische code bevat voor het produceren van een beschermende mantel, kon overleven en zich vermenigvuldigen. Als we de consequentie hiervan verder doortrekken, dan kunnen we concluderen dat hier de essentiele voorwaarde gezocht moet worden voor het bestaan van organismen: zij vormen de tijdelijke verpakking van het overerfbare genetische materiaal. Sinds de ontdekkingen van Mendel gevolgd door de ontrafeling van het genetisch materiaal door Crick en Watson en de hoge vlucht van de moleculaire biologie, bestaat er nauwelijks twijfel over de biologische essentie van leven: leven is behoud binnen het organisme en overdracht aan nakomelingen van genetische informatie. Zonder genen kan zich een organisme niet ontwikkelen, en zonder organisme als vervoermiddel voor deze genen, zou een organisme geen evolutionaire toekomst hebben.

Altruïsme
Zoals al eerder opgemerkt: voorwaarde voor de mogelijkheid van het ontwikkelen van een cultuur, is het bestaan van individuele organismen van dezelfde soort die bereid zijn met elkaar samen te werken. Alleen door coöperatief gedrag kunnen groepen ontstaan waarin sprake kan zijn van gedragscodes ten aanzien van bijvoorbeeld taakverdeling, hiërarchie, gemeenschappelijke broedzorg, gezamenlijke bescherming en verdediging van het territorium, bevoordeling van voor de reproductie belangrijke individuen of kennisoverdracht. Coöperatie komt veelvuldig voor in de natuur; tussen soortgenoten, tussen dieren van verschillende soorten en zelfs tussen dieren en planten. Bij sociaal levende dieren kan coöperatie zelfs zover gaan dat het ene individu zichzelf, soms zelfs in extreme mate, opoffert ten behoeve van een ander individu.

Met deze definitie doemen meteen twee problemen op. Allereerst lijkt er een onoverkomelijke contradictie te bestaan tussen wat altruïsme is (zelfopoffering ten koste van eigen reproductiviteit) en wat natuurlijke selectie beoogt: toename van reproductiviteit. Het lijkt op het eerste gezicht onmogelijk dat altruïstisch gedrag via natuurlijke selectie tot een constructieve vorm van gedrag kan ontwikkelen.

Echter: altruïsme is een belangrijke vorm van coöperatief gedrag. Over het algemeen kan gesteld worden dat het samenwerken binnen groepsverband van de betrokken individuen een bepaalde prijs vraagt, maar dat dit ook aan ieder individu voordeel zal opleveren. De vraag is dus: weegt het te verwachten voordeel voor een individu voldoende op tegen de prijs die de samenwerking zal kosten?

Op de tweede plaats, en dit is van belang wanneer ook menselijk gedrag beschouwd wordt als ontwikkeld langs de weg van de natuurlijke selectie, bestaat er discrepantie tussen de betekenis van altruïsme in sociaal-wetenschappelijke zin en in ethologisch/biologische zin. De term altruïsme is afgeleid van het latijnse 'alteri huic' (= aan deze andere) en wordt in het Nederlands vertaald als 'onbaatzuchtigheid'. Binnen de context van de sociale wetenschappen is altruïsme intentioneel, gemotiveerd gedrag. In religieuze termen wordt altruïsme geduid als naastenliefde. Er bestaat een discrepantie tussen de betekenis van altruïsme in sociale, religieuze, humane zin en in ethologisch-biologische zin. Het belangrijke verschil zit hem in de intentie, het wilsmoment. Naast intelligentie onderscheidt de mens zich van het dier door o.a. zijn vrije wil. Mensen zijn morele wezens, die kunnen kiezen en niet uitsluitend worden gestuurd via biologische driften en intuïties. De sociobiologie onderschrijft dit standpunt ook, echter wel met enige restricties. Het hangt er namelijk wel van af wat wordt verstaan onder 'vrije wil'. Wanneer dat wordt opgevat als een volledige vrijheid, ongebonden aan regulerende factoren en zonder enige beperkingen, zodat menselijk gedrag volledig vrij is en als consequentie daarvan onvoorspelbaar zal zijn, dan is dat sociobiologisch gezien een onhoudbaar standpunt. Gedrag kan namelijk in hoge mate de kwaliteit van leven en de mate van reproductiviteit beïnvloeden. Alleen in dit opzicht adaptief gedrag zal geselecteerd worden. De sociobiologie verstaat onder 'vrije wil' een minder extreem vermogen dat meer equivalent is aan 'vrije keuze' of 'zelf-determinatie'.

Verschillende vormen van altruïsme
kin altruism
Er worden drie verschillende vormen van altruïstisch gedrag onderscheiden. Op de eerste plaats 'kin altruism', coöperatief gedrag tussen nauw verwante individuen, binnen familieverband. Men veronderstelt dat dit de oudste samenwerkingsvorm is. Families leven meestal dicht bij elkaar, opgroeiende nakomelingen hebben zorg nodig en coöperatief gedrag zal zich daarom op de allereerste plaats richten op verwanten. Wanneer een dergelijk gedrag profijtelijk is voor de reproductiviteit van de verschillende individuen en dus ook voor de clan als geheel, dan zal dit gedrag geselecteerd worden.

Soms neemt deze vorm van altruïsme extreme vormen aan, waarbij een individu zijn eigen leven opoffert voor de groep. Ethologische studies (studie van gedrag) hebben aangetoond dat deze vorm van altruïsme voorkomt bij verschillende soorten van in sociaal verband levende dieren. Het meest bekend is het voorbeeld van de zichzelf opofferende soldatenkaste van termieten. Maar ook bijvoorbeeld het slaken van alarmkreten, wat bij veel diersoorten voorkomt, brengt al het risico met zich mee dat degene die alarmeert wordt opgemerkt door de predator en daardoor het leven laat, waardoor de rest van de groep kan ontsnappen. Dergelijk opofferend gedrag dat tot het uiterste gaat, is volgens de sociobiologie niet te verklaren vanuit het organisme als geheel. Dat kan alleen inzichtelijk worden wanneer we bereid zijn te kijken vanuit de kant van het genetisch materiaal: wanneer het ene individu het leven laat t.b.v. zijn familie, zal zijn genetisch materiaal, dat ook aanwezig is in zijn familieleden, daar toch van profiteren.

reciprocal altruism
Genetische verwantschap alleen, is echter niet voldoende om altruïstisch gedrag te verklaren. Naast 'kin altruism' is er ook een vorm van altruïsme dat niet per sé gericht is op bloedverwanten. Er zijn voorbeelden te over van coöperaties tussen individuen die geen bloedverwantschap kennen, of zelfs van samenwerking tussen individuen van verschillende soorten. Een mooi voorbeeld is het 'poetsgedrag' dat bepaalde vissoorten vertonen en daarmee andere soorten een dienst bewijzen. Beide partijen halen hier voordeel uit. De kleine poetser krijgt een makkelijk maal voorgeschoteld en kan dat zorgeloos verorberen onder de protectie van de grote 'cliënt'. De cliënt is verzekerd van een grondige reiniging en loopt minder risico een infectie op te lopen. Op die manier bewijzen ze elkaar een dienst: ze verhogen wederkerig de reproductiviteit van de ander. Deze vorm van altruïsme wordt ook aangetroffen binnen sociaal humaan verband: 'I'll scratch your back, you'll scratch mine' of 'voor wat hoort wat'.

induced altruism
Deze vorm van altruïsme wordt gedefinieerd als gedrag dat de reproductiviteit van een ander individu verhoogt, zonder enig voordeel voor eigen reproductiviteit.

Een mooi voorbeeld van deze vorm van samenwerking is het feit dat de koekoek nooit zelf haar eieren bebroedt en haar jongen grootbrengt. De koekoek legt haar eieren in het nest van een andere vogel. De gastouders brengen het koekoeksjong onder grote inspanning en ten koste van hun eigen jongen groot. Het gaat hier dus om een extreme vorm van altruïstische gedrag: de eigen reproductiviteit wordt volledig opgeofferd ten bate van de reproductiviteit van een ander. Deze vorm van altruïsme is niet genetisch geprogrammeerd maar wordt afgedwongen door een parasiterend organisme. De sociobiologie rekent dan ook alle vormen van parasitisme tot dit type van 'induced altruism', dat in strikte zin gezien kan worden als een beschrijving van egoïstisch gedrag van de parasiet bekeken vanuit het standpunt van de geparasiteerde. Biologisch-ethologisch gezien is er geen verschil tussen het 'pure' altruïsme van de gastouder van de koekoek en het zuiver altruïsme (zichzelf opofferen) van een mens.

Bewustzijn, moraal en religie
Het bovenstaande laat zien dat de sociobiologie altruïstisch (onbaatzuchtig) gedrag ontmaskert als in de kern egoïstisch, gericht op eigenbelang, gedreven door de eis reproductiviteit te dienen. Deze biologische gedrevenheid zou gelokaliseerd zijn in het onderbewuste. In het kort komt deze visie op het volgende neer. Voor individuen die leven in sociaal verband, waarbij hiërarchie en taakverdeling, en dus onderlinge afhankelijkheid, een rol spelen, is het van levensbelang samen te werken. Het is belangrijk dat anderen waarmee een persoon te maken krijgt, overtuigd zullen zijn van zijn motivatie, zijn wil tot samenwerking en altruïsme. Toch liggen aan deze motivatie, zoals we gezien hebben, biologisch bepaalde, puur op het eigenbelang en de reproductiviteit gerichte driften ten grondslag. Mensen zijn niet puur coöperatief of puur egoïstisch, maar een mengsel daarvan. Altruïsme verdient meestal de voorkeur, echter de verleiding ligt altijd op de loer defectief (vals spelen) gedrag te vertonen en te profiteren van het altruïstisch gedrag van een ander. Doordat deze driften echter op een onbewust niveau functioneren, als het ware zelfs voor de persoon in kwestie verborgen zijn, is een persoon in staat een zo sociaal en betrouwbaar mogelijke indruk te maken op zijn partner. Met andere woorden, op bewust niveau zal een persoon gemotiveerd zijn en de intentie ervaren een altruïst te zijn, waardoor hij des te beter in staat is die indruk ook te wekken op degenen waarmee hij coöperatief communiceert. Wanneer de onderliggende drift om defectief gedrag te vertonen toch in het bewustzijn opborrelt, fungeren gevoelens van schuld als een waarschuwing hiertegen.

Vanuit deze optiek kan moraliteit - en in het verlengde daarvan religie - gezien worden als instrument waarmee de ene mens de andere kan dwingen tot altruïsme.

De sociobiologie spreekt zich niet verder uit over religie, behalve dat zij het ziet als een systeem waar binnen morele regels worden geformuleerd.

Conclusie
De inzichten verkregen door de evolutiebiologie - en, ofschoon deze hier niet aan de orde komen, natuurlijk ook alle andere disciplines zoals de geologie, de paleontologie, de antropologie enz. - hebben de klassieke ideeën over oorsprong, behoud en toekomst van het leven op een nieuw spoor gezet.

Hiermee zijn de problemen waarvoor de filosofie en theologie zich gesteld zien evident. De mens, het leven op aarde, het universum, is niet aantoonbaar ontwikkeld volgens een vooropgezet plan, kent geen voortgang in perfectie noch een eindbestemming. Integendeel, ontwikkeling en verandering, en daarmee het ontstaan van nieuwe levensvormen, gebeurt door toeval. Hierdoor is het voor veel natuurwetenschappers niet meer mogelijk religie anders te zien dan een adaptief, d.w.z. de reproductiviteit ten goede komend, menselijk vermogen; een product gevormd door natuurlijke selectie.

Toch rijst hier terecht de vraag: heeft de theologie - en daarmee het geloof in het bestaan van God - als een achterhaald concept afgedaan? Is de sociobiologische benadering van sociaal gedrag wetenschappelijk correct? Zijn de vraagstellingen logisch en legitiem? Is de theorievorming consistent en onweerlegbaar? In hoeverre kunnen de resultaten van sociobiologisch onderzoek voor de theologie vruchtbaar zijn? Is het mogelijk dat de evolutiebiologie als een vorm van religiekritiek kan worden opgevoerd? Zijn de resultaten van evolutiebiologisch onderzoek inderdaad van dien aard dat daarmee het geloof in God als oorsprong, behoud en voltooiing van het bestaande redelijkerwijs onmogelijk wordt?

III. De relatie tussen theologie en natuurwetenschap

Moderne mensen die de resultaten van natuurwetenschappelijk onderzoek serieus nemen, staan voor de keuze òf geloof (en theologie) achter zich te laten als een bepaalde - weliswaar noodzakelijke - fase in de biologische en culturele evolutie van de mens òf om geloof (en theologie) te zien als een legitieme en betrouwbare bron van kennis omtrent en reflectie over existentiële vragen met betrekking tot oorsprong, doel, zin en wezen van alles wat is.

Het tot stand komen van een wereldbeeld dat alsmaar meer stoelt op resultaten van natuurweten-schappelijk onderzoek heeft religieus gezien geresulteerd in de opkomst van het deïsme. Het deïsme beschouwt God als enkel actief bij het begin, bij de schepping van de wereld. Het deïsme ziet God als de grote Ontwerper, ook wel ironisch omschreven als 'Ingenieur in ruste'. Het is de tegenhanger van het theïsme, dat Gods scheppende en instandhoudend handelen tot in het hier en nu veronderstelt.

Het deïsme is bij hedendaagse natuurwetenschappers die een denkbare plaats zoeken voor Gods werkzaamheid ten aanzien van het natuurgebeuren nog manifest aanwezig. De natuurweten-schappen hebben God dus helemaal niet weggedrukt, zeggen de deïsten. Integendeel, Gods werkzaamheid wordt in deze zienswijze juist als 'groter' gezien, de wereld blijkt een groter wonder, de Schepper een grotere Schepper. Een God die aan het begin een wereld maakt die zelfstandig verder kan, is veel knapper dan een God die zijn schepping voortdurend in stand moet houden.

Maar er zitten ook problemen aan deze visie. Binnen de deïstische zienswijze is God gevoelsmatig wel erg ver weg. Bovendien wordt een bijzondere openbaring van God in Israël en in Jezus van Nazareth moeilijk denkbaar. En daarmee is de problematische verhouding van de theologie t.a.v. de natuurwetenschappen ten volle geduid.

De laatste decennia groeit het aantal theologen en natuurwetenschappers die hierover in gesprek raken.

Deze gesprekken spelen zich af op verschillende niveaus:

Allereerst is er (1) de filosofische vraag: zijn er rationele, doorslaggevende argumenten die een dialoog tussen theologie en natuurwetenschappen rechtvaardigen en zelfs als noodzakelijk duiden? Als dat zo is, volgt een tweede vraag (2): kan of moet natuurwetenschappelijk onderzoek beschouwd worden als een bron voor het in theologische zin verstaan van de werkelijkheid? En zo ja, een derde vraag (3), op welke manier kan dit dan concreet worden gedacht en uitgewerkt?

Hieronder volgt het betoog van een aantal filosofen en theologen die de discussie met de natuurwetenschappen, in het bijzonder de evolutiebiologie en sociobiologie, zijn aangegaan.

(ad 1) Rationele onderbouwing van een dialoog
Een filosofisch antwoord
De filosoof, anthropoloog en theoloog Karl Schmitz-Moormann breekt een lans voor het serieus nemen van (evolutie)biologisch onderzoek binnen de theologie. Hij stelt dat hedentendage het denken in termen van evolutie, van ontwikkeling en wording een feit is. Het is de taak van de theologie zich tot deze moderne verstaanswijze te verhouden. Het wereldbeeld is gewijzigd van een statisch 'zijn' tot een dynamisch 'worden'. De theologie dient in die zin haar taal en haar spreken over God als Schepper opnieuw te overdenken.

Schmitz-Moormann pleit daartoe voor een reconstructie van de theologie, hetgeen volgens hem een herziening tot gevolg heeft van het verstaan van God als Schepper en van de betekenis van de Incarnatie. Hij verduidelijkt dit als volgt:

Vanoudsher hebben de theologie en de wetenschappen zich ontwikkeld uitgaande van het idee van een statisch universum, geregeerd door eeuwigdurende regels opgemaakt door de Eeuwige. Vanuit een dergelijke optiek zoekt men naar het begin, de oorsprong, om zo te achterhalen wat precies die eeuwige, onveranderlijke regels zijn. Vanuit deze optiek is kennis over het begin (schepping, het begin van de kerk) de meest na te streven kennis, en tegelijkertijd impliceert dit dat er geen hogere ontologische status is dan die van het begin.

In het licht van modern natuurwetenschappelijk denken is deze klassieke benadering van de theologie onhoudbaar: De theologie moet het zoeken naar het ideale begin, naar het statische, loslaten en het veranderlijke, het worden in haar denken incorporeren. Dat betekent bovenal dat zij moet uitzien naar nieuwe openbaringen die kunnen oplichten in nieuw verkregen wetenschappelijk inzicht. Hij verwijt het Christendom contact te verliezen met de werkelijkheid en veronderstelt dat dit er wel eens de oorzaak van kan zijn dat tegenwoordig met name jonge mensen nog nauwelijks meer bij kerk en christendom betrokken zijn.

Dat betekent echter niet, dat alle uitspraken die de theologie doet, wetenschappelijk inzichtelijk dienen te zijn: theologische paradigma als de Incarnatie, de Opstanding, Vergeving en Verlossing zijn niet natuurwetenschappelijk te weerleggen noch te bevestigen; dergelijke zuiver theologische thema's zijn überhaupt niet toegankelijk in termen van natuurwetenschappelijke taal.

(ad 2) Natuurwetenschappelijke bevindingen als bron voor theologische overdenking:
Sociobiologisch altruïsme en christelijke naastenliefde
Christelijke naastenliefde of agapè wordt gedefinieerd als onpartijdig, onbaatzuchtig, zelfopofferend handelen in het belang van een ander mens zonder daarbij rekening te houden met de eigen belangen. De sociobiologie hanteert het begrip altruïsme in de zin van zelfopofferend handelen ten aanzien van een ander mens met het oog op het uiteindelijk eigen belang hierbij. De vraag is nu: hoe verhouden zich beide begrippen tot elkaar? Is het zo dat de definitie van naastenliefde te pretentieus is; gaat het hier in feite om vermomd biologisch gefundeerd gedrag in dienst van overleven en voortplanten? Of liggen beide begrippen in elkaar’s verlengde en moet naastenliefde gezien worden als een vorm van extreem altruïstisch gedrag? Of een derde mogelijkheid: is naastenliefde van een andere orde, zuiver intentioneel, vrij en belangeloos gedrag?

De filosoof, zoöloog en agnost Michael Ruse is kort en bondig waar het gaat om het verwoorden van zijn ideeën over de verhouding tussen christelijke naastenliefde en sociobiologisch altruïsme. Hij is van mening dat het gebod van de naastenliefde verder gaat - in de zin van te ver, onredelijk - dan de biologisch gefundeerde vormen van altruïsme gebaseerd op verwantschap en reciprociteit. Je vijand liefhebben, de andere wang toekeren, jezelf volledig opofferen, dat is een moraal die volgens hem niets meer met 'commonsense' te maken heeft. Dit is niet meer normaal, niet te verdedigen:

Ruse ziet het christelijke idee van moraliteit, gefundeerd in Gods wil, als een illusie, overigens wel een illusie die biologisch gezien zinvol is en de reproductiviteit ten goede komt.

Don Browning, theoloog en psycholoog, is ervan overtuigd dat altruïsme in sociobiologische zin aan de ene kant en christelijke naastenliefde aan de andere kant twee begrippen zijn met een verschillende, maar wel gerelateerde betekenis. Hij is dan ook van mening dat het onderzoek naar de betekenis en functie van biologisch, adaptief altruïstisch gedrag ertoe bijdraagt de betekenis van het begrip agapè beter te verstaan.

Hij redeneert als volgt:
Sociobiologisch onderzoek wijst op het belang van bloedverwantschap als maatgevend en doorslaggevend criterium voor het wel of niet vertonen van altruïstisch gedrag. De sociobiologie stelt bovendien dat wij niet-verwanten, vreemdelingen en zelfs vijanden altruïstisch kunnen benaderen door identificaties en affecties ten aanzien van verwanten op niet-verwanten te transponeren resp. te projecteren. Met andere woorden, het vermogen tot 'kin-reciprocity' gaat vooraf aan het aanleren van wat hij noemt 'expanded reciprocity'.

Browning wijst in dit verband op het belang van het gezin als leerschool voor het aanleren van altruïstisch gedrag ten aanzien van vreemden: de mens leert de ander lief te hebben, allereerst in de familiekring en daarna pas buiten deze besloten kring. In dit opzicht neemt hij het begrip agapè kritisch onder de loupe door gebruik te maken van de sociobiologische inzichten over altruïsme.

Hij doet een voorstel om te komen tot een nieuwe definitie van naastenliefde, waarbij hij sociobio-logische inzichten wil inweven zonder het vrije, intentionele, zelfopofferende aspect van christelijke liefde te reduceren. De kern van de betekenis van naastenliefde ligt volgens hem in het tweede deel van het gebod van de naastenliefde: Hebt uw naaste lief, als uzelf (Matteus19,19 en 22,39; Marcus 12,31 en 12,33; Lucas 10,27; Romeinen 13,2; Galaten 5,14; Jacobus 2,8). Met andere woorden: naastenliefde stoelt op wederkerigheid.

Religiositeit: adaptief gedrag contra metafysich kenvermogen
De hamvraag: Is religiositeit een evolutionair ontwikkelde vorm van gedrag, uitsluitend ontstaan en behouden vanwege het positieve effect op de overlevingskansen? Is geloof in het bovennatuurlijke louter een mechanisme dat het groepsverband versterkt en mensen overhaalt samen te werken? Of valt er nog meer van de concrete inhoud van religies te verwachten? Is religiositeit een vermogen waarmee het bovennatuurlijke vermoed, verkend, of misschien zelfs tot op zekere hoogte gekend kan worden?

William H. Ausrin, filosoof, stelt met betrekking tot deze problematiek twee vragen:
Wanneer je weet dat religie constructief bijdraagt aan de ontwikkeling en handhaving van de maatschappij, als je dat kunt aantonen en daar zelf van overtuigd bent, is het dan redelijk te veronderstellen dat je dus de inhoud - de leer - van religie moet afwijzen? Wanneer bepaalde aspecten van religie wetenschappelijk verifieerbaar zijn, is het dan niet logisch te veronderstellen dat de dogmatische inhoud eveneens betrouwbaar is?

Op de tweede plaats vraagt hij zich af of de sociobiologische verklaring van religie volledig is, of is er wellicht nog meer over te vertellen?

Sociobiologie als religiekritiek
Theologiseren is een verstandelijk vermogen, daardoor biologisch verankerd.
Het is daarom belangrijk te weten hoe deze biologische lijnen lopen en waarom. Om met die wetenschap opnieuw na te denken over bijv. naastenliefde en altruïsme, waarden en normen, hiërarchische structuren, machtsverhoudingen. De bevrijdingstheologie en de feministische theologie kunnen daar hun voordeel mee doen.

Het is tevens een taak van de theologie de angst weg te nemen om over de mens te spreken in termen van de natuurwetenschappen. Immers, deze geven slechts beschrijvingen van de zichtbare werkelijkheid. De theologie vraagt verder, houdt zich bezig met geloofservaringen en zin en doel van het bestaan.

(ad 3) Integratie van natuurwetenschappelijke bevindingen binnen het denken van de theologie
Een concreet voorbeeld
De theoloog Hefner heeft als uitgangspunt voor zijn integratieve, multidisciplinaire denken dat natuurwetenschappelijk onderzoek de theoloog wel moet interesseren, wil hij of zij de scheppings-leer serieus nemen. Binnen deze wereld is het Woord vlees geworden en is er verlossing toegezegd. Deze relatie tussen werkelijkheid en verlossing moet voor de theologie een item zijn. We volgen zijn redeneren:

Het 'Is' is de natuurlijke werkelijkheid. Het 'Ought' is dat wat wenselijk is, zoals de mens vindt dat het zou moeten zijn. Ideeën over het 'Ought' krijgen vorm vanuit basale menselijke behoeften en verlangens. Het 'Is' en het 'Ought' worden met elkaar verbonden door de mythe (bijv. het scheppingsverhaal).

De mythe spreekt zich, vanuit het 'Is' uit over het 'Ought' (scheppingsverhaal, de godsnaam - brandend braambos, het verbond tussen God en mensen - Noach, Mozes) en levert zo een basis voor moraal. Moraal, concrete waarden en normen, reguleert en legitimeert sociaal gedrag dat wordt gezien als zo goed mogelijk in overeenstemming met de ons omringende werkelijkheid en als zodanig dient nagestreefd. De mythe geeft dus in symbolische taal een interpretatie van de werkelijkheid en is richtinggevend voor het vormgeven van een samenleving.

Het is dus belangrijk die werkelijkheid en de verschillende aspecten van het 'Is' en het 'Ought' te kennen. Nú houden de natuurwetenschappen en sociale wetenschappen zich daarmee bezig, vroeger gebeurde dat in religieuze taal verwoord door de mythe. Nú komt de sociobiologie tot de conclusie dat sociaal gedrag, altruïstisch gedrag, noodzakelijk is om te kunnen leven in deze werkelijkheid. De mythe van het christendom was daar eeuwen eerder óók al achter gekomen. Hefner ziet de wetenschappelijke bevindingen niet als reductionisme van religie maar als profetisch, een uitkomst die de religieuze wereld herinnert aan haar bijzondere erfenis. Aan de andere kant heeft het christendom voorspelt en aangereikt wat de wetenschap nu aantoont en bevestigt.

Het paradijsverhaal
Binnen de christelijke traditie is het paradijsverhaal (Genesis 2, 4b -3,24) een van de meest belangrijke mythen. Kort samengevat leert dit verhaal (1) dat God Schepper is van hemel en aarde, incluis de mens, (2) de mens is geschapen in harmonie met zijn/haar Schepper en in harmonie met elkaar. Echter, deze harmonie verkeerde in vervreemding. Het christendom leert: (3) Jezus van Nazareth verkondigde Gods genade en de morele consequentie hieruit: belangenloze liefde voor hetgeen God geschapen heeft. Hij openbaart daarmee Gods wil en verlossend handelen; (4) door Zijn verrijzenis overwint Jezus de dood; de verrijzenis van alle mensen is onderdeel van Gods plan het geschapene tot voltooiing te brengen.

Hefner vat deze christelijke mythologie samen als een systeem waarbinnen God Schepper en Voltooier is en betrokken op Zijn Schepping.

Wat voor consequenties heeft dit verhaal voor het menselijk handelen? Wat is het meest toepasselijke antwoord, welk (sociaal) gedrag ligt impliciet in deze mythe verwoord? Hefner concludeert:

de meest basale regel die hierop gebaseerd ligt is: 'Gij zult de Heer uw God aanbidden met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf' [Matteus 22,40]'.

Nu is Hefner zover dat hij de sociobiologische bevindingen omtrent religiositeit en moraal kan introduceren. De sociobiologische aanpak laat zien hoe altruïstisch gedrag gericht op verwanten (kin altruism) en op individuen waarmee men in nauwe samenhang leeft (reciproke altruism) volledig in overeenstemming is met op zichzelf gericht, in evolutiebiologische zin relevant, gedrag. De problemen doemen op wanneer altruïsme is gericht op niet-verwanten en met name op mensen ver weg, van een andere ethniciteit en cultuur. Tegelijkertijd zien ook sociobiologen dat het met name deze vorm van altruïsme is die het de mens mogelijk maakt complexe, zelfs mondiale, maatschappelijke structuren te realiseren; religie en moraal zijn de mogelijkheidsvoorwaarden bij uitstek voor de ontwikkeling van cultuur. Hefner komt tot de volgende synthese:

Hij illustreert concreet, aan de hand van een analyse van het paradijsverhaal en de leer van de erfzonde, op welke wijze de sociobiologische bevindingen verrijkend kunnen zij voor de theologie. Hefner ziet het verhaal van de zondeval als de neerslag van - en een zeer oude verklaring voor - de inherente, diep-menselijke ervaring van ambivalentie, van discrepantie, van strijd tussen verschillende mogelijkheden, tussen goed en slecht. Deze ervaring onvolmaakt te zijn, voortdurend te kort te schieten, wordt zonde, kwaad genoemd en gaat gepaard met een gevoel van schuld. De ervaring van discrepantie wordt veroorzaakt door twee informatiesystemen: de genen en de cultuur. De genen bevatten de oudste, voor het overleven belangrijke adaptieve gegevens. Deze informatie is gericht op het overleven van het individu en dus per definitie competitief, egoïstisch, afgunstig, hedonistisch. De cultuur daarentegen stimuleert gedragsstrategieën die coöperatief zijn, altruïstisch, anti-hedonistisch, vol zelfbeheersing. Door de geschiedenis heen heeft dit geleid tot dualistische ideeën en verklaringen over deze wereld en over de mens. Hefner wijst dit dualisme af op grond van het feit dat er slechts één natuurlijk proces is, dat heeft geleid tot ontstaan en ontwikkeling van alle leven, incluis de mens. Hefner verduidelijkt dit door gebruik te maken van evolutiebiologische inzichten omtrent het ontstaan van altruïsme en cultuur:

De mogelijkheden tot het opbouwen van een cultuur zijn in de evolutie een jonge ontwikkeling en zijn gelocaliseerd in de neocortex. De neocortex heeft tot taak signalen en impulsen van oudere hersendelen te integreren en te coördineren. Deze oudere hersendelen zijn gericht op overleven van het individu en dus egoïstisch van aard. In zekere zin moet de neocortex de oudere hersendelen 'leren' zich op een humane, coöperatieve wijze te manifesteren. Dat leerproces is (nog) niet voltooid:

Wat wij verstaan onder het begrip zonde is dus inherent aan de menselijke natuur. Het maakt deel uit van het evolutieproces dat ontstaan en ontwikkeling van leven mogelijk maakt:
Nu terug naar het paradijsverhaal. Hefner laat zien dat de concrete inhoud van dit verhaal wijst op een impliciet, prereflexief aanvoelen van wat hierboven met behulp van de evolutiebiologie inzichtelijk is geworden. Samenvattend leert het verhaal dat (1) zonde een inherente factor is van ons zelfbewustzijn; (2) wij zijn van oorsprong tot zonde geneigd; (3) zondigheid is overerfbaar; (4) zonde is geassocieerd met vrijheid van handelen; (5) zonde gaat gepaard met gevoelens van vervreemding en schuld. Al deze punten zijn, zoals de bovenstaande redenering liet zien, door evolutiebiologisch onderzoek te onderbouwen. Het aardige is daarenboven dat het verhaal ook leert dat de mens van oorsprong goed is, door God geschapen en gewild. Ook dit aspect is biologisch te duiden door het feit dat de mens is gevormd door het evolutieproces waar egoïstische motieven aan ten grondslag liggen. Dit proces gaat nog steeds verder en wordt gekenmerkt door 'trial and error'. De mens ervaart dit als zonde en schuld, maar in biologische zin zijn dit instrumenten waarmee de ontwikkeling van leven voortgang vindt en dus ten diepste goed.

Hefner heeft zijn keuzes gemaakt, dat is duidelijk: hij pleit voor het serieus nemen en integreren van wetenschappelijke inzichten in de theologie. Filosofen en theologen die dit afwijzen, veroordeelt hij scherp. Bovendien, waarschuwt hij, loopt de theologie, wanneer zij zich afzijdig houdt van wetenschappelijk onderzoek en de inzichten die hieruit volgen, het risico als maatschappelijk nutteloos en irrelevant van het toneel te verdwijnen. Hij prefereert 'een toernooiveld'.

Conclusie
Theologiseren is spreken over God volgens de regels van de ratio. Het is filosofie steunend op vooronderstellingen. Maar theologiseren is ook een onderdeel van het menselijk verstandelijk vermogen, een gegeven dat ligt in onze complexe materiële constitutie. Dat laatste maakt het dringend noodzakelijk te komen tot een beter begrip van de relatie tussen onze biologische natuur en de wijze waarop wij spreken over God. Hier ligt m.i. dan ook een belangrijke taak voor de theologie. Immers, het verklaren van de materiële werkelijkheid, van de wijze waarop wij biologisch functioneren, kan verhelderend werken voor het 'schonen' van historisch gegroeide, religieus gelegitimeerde maatschappelijke verhoudingen (machtsverhoudingen).

Helaas is er nog grote weerstand waar het gaat om het opnemen van evolutiebiologische inzichten binnen de theologie. Er lijkt waardigheid verloren te gaan wanneer er wordt gesproken over de mens als biologisch geconditioneerd organisme. Hier ligt een tweede taak voor de theologie: het wegnemen van de angst om over de mens te spreken in termen van de natuurwetenschappen. Ten leste zijn de verklaringen van de natuurwetenschappen uitsluitend beschrijvingen van processen die zich afspelen op het terrein van de zichtbare werkelijkheid. Maar de theologie omvat meer, wil ook spreken over geloofservaringen en vraagt naar zin en doel van het bestaan.

Het bovenstaande benadrukt waarom de theologie er goed aan doet evolutiebiologisch onderzoek serieus te nemen en in haar denken op te nemen. Maar geldt dat ook andersom? Is religiositeit en het bedrijven van de theologie van nut voor de samenleving? Een spannende vraag omdat zoveel mensen, met name wetenschappers, religie en theologie afwijzen als nutteloos en zinloos. Ook dit lijkt me voorbarig. Sociobiologisch onderzoek bevestigt de fundamentele en structurerende betekenis van religie voor het opbouwen van een cultuur, voor het stimuleren van vreedzame samenwerking, voor het leven in vrijheid, voor het maken van heilzame keuzes ten behoeve van het overleven van individuen en groepen. In deze geseculariseerde tijd zien we het belang van deze evolutiebiologische ontdekkingen steeds meer in. Hoe moeilijk is het niet voor het huidige paarse kabinet een basis te formuleren voor waarden en normen? De vraag komt op: kan moraal geformuleerd worden zonder religieuze basis? Is religie de behoeder bij uitstek van een menswaardige samenleving?

En daarmee komen we op het eigen, onherleidbare terrein van de theologie. God functioneert voor gelovige mensen als een metafoor, als een vermogen in het zelfbewustzijn waaraan heil wordt ervaren. Deze ervaring is zodanig groot en gezagvol dat zij vervolgens aanzet tot het uitdragen van heil. Gelijkwaardigheid, respect, broeder- en zusterschap, ethiek, dit alles is geen doel (zoals de sociobiologie dat betoogt) maar wordt uitgangspunt. Heil kan zo binnen de functionele, materiële en contingente werkelijkheid tastbaar worden ervaren: in de liefde, het enige menselijk vermogen dat de macht heeft het hele bestaan uiteindelijk voltooid te weten in God. Juist daardoor is Gods relatie tot de wereld als Schepper voor mij evident en lijkt me religiositeit en theologie niet biologisch afbreekbaar.