|
De constructieve invloed van wetenschap
op de Godvraag Táhirih-lezing, zondag 26 maart 2000 Inleiding Er is een tijd geweest dat dat anders was. Eeuwenlang, sinds het bestaan van de religieuze mens, werden verklaringen voor de werkelijkheid gegeven door religies. Omdat mensen al sinds mensenheugenis vragen hebben. Waar komen we vandaan? Waar ligt de oorsprong van het heelal, van de wereld om ons heen, van de dode en de levende natuur en van de mens? En waar gaat dit alles naar toe? Zijn wij op weg naar een bepaald doel of bestemming? Al eeuwenlang komen de antwoorden op deze vragen van de kant van de religies. Iedere religie kent zijn scheppingsverhalen die in religieuze, gelovige taal vertellen over het allereerste begin van hemel en aarde en van de mens. En iedere religie wil de mens richting geven, op weg naar een uiteindelijk doel. In deze tijd juichen veel mensen het toe dat het verstand - het nuchtere constateren en verklaren - het wint van mythologische en bovennatuurlijke verklaringen. Zij zien dit als een stap voorwaarts in culturele ontwikkeling. Anderen voelen zich er juist niet gelukkig bij en zoeken naar - nieuwe - 'hertovering'. Ook binnen de wetenschap zijn er mensen die zich afvragen of de hoge vlucht van de natuurwetenschappen rechtvaardigt dat het spreken over God als overbodig en achterhaald kan worden beschouwd. Zij verdiepen zich in de vraag: Methodisch lijken de verschillen tussen beide disciplines onoverbrugbaar. Aan de ene kant zijn daar de natuurwetenschappen met hun analyse, empirie, meten, toetsen, experimenteren, aan de andere kant de theologie die zich beroept op ervaring en openbaring, die zich bedient van symboliek en taalspel. De natuurwetenschappen beperken zich tot dat wat zintuiglijk waarneembaar is. De theologie/filosofie wil de zichtbare (contingente) werkelijkheid overstijgen en zoekt naar een bovennatuurlijke (metafysische, transcendente) oorzaak/doel. Beide disciplines zijn een uiting van rationaliteit, van logisch denken. Overeenkomst ligt op het niveau van het doel: het vergaren van kennis omtrent de werkelijkheid. Alleen: theologie vertrekt vanuit de vooronderstelling dat er een bovennatuur is die alles van doen heeft met de zichtbare werkelijkheid en zij neemt menselijke ervaringen m.b.t. die bovennatuur serieus. Er zijn wetenschappers die van mening zijn dat geloof/theologie en (natuur)wetenschap twee totaal verschillende disciplines zijn, die gescheiden moeten blijven. Een dialoog tussen beide is zinloos, zij bewegen zich ieder op een eigen terrein zonder onderlinge raakvlakken. Toch zijn er ook natuurwetenschappers en theologen die vinden dat hiermee niet alles is gezegd. Want welbeschouwd beperkt onze kennis zich tot louter beschrijven van de natuur en je kunt je afvragen: is dat wel voldoende om de kern van het bestaan te doorgronden? Zij vragen zich af: is religiositeit werkelijk niet meer dan een 'genetisch foefje' of zit er ook een andere waarheid achter? Verliest de Bijbelse boodschap aan zeggingskracht of is deze de neerslag van een door God gegeven evolutionair ontwikkeld menselijk vermogen dat ons in staat stelt meer zicht te krijgen op oorsprong en doel van het bestaan? Het zijn dergelijke legitieme en boeiende vragen waardoor steeds meer theologen en natuurwetenschappers met elkaar in gesprek raken. Wetenschap en religie hebben immers met elkaar gemeen dat zij een verklaring willen geven voor de werkelijkheid. Ze hebben daarbij ieder hun eigen aanpak, zijn als het ware twee kanten van dezelfde medaille. Wetenschap geeft feiten en de mogelijkheid de natuur te beheersen. Religie levert wijsheid op, inzicht over hoe te handelen en wijst op het belang van respect en liefde waardoor samenleven in vrede mogelijk wordt. Op grond van de belijdenis van God als Schepper is het voor de theologie m.i. noodzakelijk dat zij de bevindingen van de natuurwetenschappen in haar denken meeneemt, wil zij op het wetenschappelijk toernooiveld een geloofwaardige plaats hebben. In mijn redeneren vertrek ik derhalve vanuit twee vooronderstellingen:
I. Een gang door de tijd 1. Plato (428-348 v. Chr.) met zijn leer van de ideeën 2. Aristoteles (384-322 v. Chr.) met zijn teleologische denken Allereerst: men neemt aan dat de doelmatigheid zó verweven is met de natuurlijke gang van zaken, dat deze een doelmatige is. Dit is de opvatting van Aristoteles (384-322 v. Chr.). Volgens hem geldt voor het gehele natuurgebeuren dat de dingen er in het algemeen naar streven de in hun eigen natuur gelegen doeleinden te verwerkelijken. Aristoteles vond de duidelijkste argumenten voor zijn opvattingen in de levende natuur. In tegenstelling tot Plato en diens geestverwanten, achtte Aristoteles het van groot belang de materiele werkelijkheid te bestuderen. Centraal in zijn ontologie staan individuele stoffelijke substanties ('ousia'). Ieder individueel stoffelijk wezen heeft een vormaspect ('morphe': de wezensvorm die een individuele substantie gemeen heeft met andere individuen van dezelfde soort: 'eidos') en een stofaspect ('hule': het bepaalbare materiaal dat samen met de algemene wezensvorm een individuele substantie uitmaakt). Hoewel we de wezensvorm in ons denken kunnen onderscheiden van het concrete wezen, zijn zij in werkelijkheid verbonden: de wezensvorm is geen apart ideaal zijnde naast het concrete individu (zoals bij Plato) maar ligt ingesloten in het individuele wezen en bestaat daardoor zelf individueel. Aristoteles maakte als eerste een uitgebreide, analytische studie van de levensvormen en levensverschijnselen van hoog tot laag; vandaar dat hij gezien wordt als de grondlegger van de biologie. Hij was geboeid door het gegeven dat stoffelijke substanties bewegen en veranderen ('kinesis'). In ontstaan en vergaan zag hij wezenlijke veranderingen; alle andere veranderingen (kwalitatief, kwantitatief en positioneel) typeerde hij als accidenteel, niet van wezenlijk belang. Hij zag in de verandering de voortgaande verwerkelijking van datgene wat potentieel aanwezig is. Elk stoffelijk wezen is te onderscheiden als zijnde in aanleg ('dunamis') en zijnde in voltooiing ('energeia' of 'entelecheia'). Zo maakte hij o.a. een studie van de embryonale ontwikkeling van de kip. Uit dergelijke studies concludeerde hij dat het doel voor het zich ontwikkelende organisme, de adulte vorm, de veranderingen verklaart die het embryo moet doormaken om uiteindelijk dit doel te bereiken. Aan de verandering ligt een bestemming als oorzaak van die verandering ten grondslag. De verandering of wording is er omwille van de voltooiing of vervulling. Zijn opvatting, getypeerd in de uitspraak 'de natuur doet niets vergeefs' is van grote invloed geweest op het latere natuurwetenschappelijk denken. Tegenwoordig heeft de natuurwetenschap deze leer van de immanente finaliteit, zoals de aristotelische teleologie ook wel wordt aangeduid, uitgebannen. Echter binnen de meeste, zoniet alle, vakgebieden van de biologie zijn verklaringen in termen van doeloorzakelijkheid nog steeds gebruikelijk. Doeloorzakelijkheid en rangorde (hiërarchie) van de organismen: Scala Naturae 3. Andere geluiden 4. Augustinus (354- 430) Een ander aspect, dat eveneens door Augustinus wordt uitgewerkt, is het idee dat bij het begin van de schepping het geschapene volmaakt was. Dit ideaal ging echter verloren door inmenging van het kwaad dat leidde tot de zondeval van de mens die daarbij de hele schepping meesleurt in zijn val. Dat ideaal van het begin van de schepping staat model voor het eschatologisch perspectief: het geeft richting en invulling aan de uiteindelijke voltooiing. Het concept van de Scala Naturae (later uitgewerkt in de vorm van de 'Ladder of Nature' of 'The Great Chain of Being'), het idee van de generatio spontanea, de teleologische kijk op veranderlijkheid en het geloof in de goddelijke voorzienigheid zijn de pilaren waarop zowel wereldbeschouwelijk denken als (natuur)wetenschappelijk denken tot ver in de 19e eeuw steunen. 5. Thomas van Aquino (ca, 1225-1274) II. De bevindingen van de natuurwetenschappen 1. De astronoom Copernicus (1473-1543) 2. De wis- en natuurkundige Isaac Newton (1642-1727) Nog ingrijpender was de traagheidswet. Deze houdt in, dat een voorwerp dat met een bepaalde snelheid voortbeweegt in die beweging blijft volharden, tenzij het door krachten van buiten gedwongen wordt in een andere bewegingstoestand over te gaan. Dit impliceert dat er geen verklaring meer nodig is voor het in beweging blijven van een lichaam. Voor het behoud van beweging is niks of niemand meer nodig, dus ook God niet. Dat betekent een enorme omslag in het wereldbeeld. God die overal noodzakelijk gedacht werd, omdat het hele leven bewegen is, lijkt opeens buiten de werkelijkheid te staan. 3. Charles Darwin (1809-1882) De theorie van de natuurlijke selectie van Darwin en Wallace staat haaks op de aloude speculatieve, teleologische redeneringen die zich baseerden op een mystische, zich aan onze waarnemingen onttrekkende, vormende oorzaak. De theorie van de natuurlijke selectie is gebaseerd op louter natuurlijke processen, die wordt gestaafd met argumenten afkomstig van observaties. Kort samengevat kent de theorie van de natuurlijke selectie drie belangrijke aspecten:
Voorwaarde voor het verloop van evolutionaire veranderingen is het steeds weer opnieuw ontstaan van variaties met betrekking tot erfelijke eigenschappen. Voor Darwin lag hierin een groot probleem. In zijn tijd ging men ervan uit dat erfelijke eigenschappen, wanneer deze worden doorgegeven aan nakomelingen, als het ware 'uitdoven'. Men veronderstelde dat deze maar voor de helft aan iedere volgende generatie werden doorgegeven en dus na luttele generaties volledig verdwenen zouden zijn. De genetica, te beginnen met Mendel , heeft uiteindelijk aan de evolutietheorie van Darwin vaste grond gegeven, door aan te tonen dat biologische eigenschappen gecodeerd liggen op discrete eenheden, genen, en dat deze volledig, 'onverdund' worden doorgegeven aan het nageslacht. Het heeft tot in de 20ger jaren geduurd voordat het werk van Mendel werd ontdekt en de waarde ervan werd ingezien. Integratie van Darwinisme en genetische inzichten leidden tot wat genoemd wordt het Neo-Darwinisme: de theorie die evolutie beschouwt als een proces van veranderingen in genenfrequenties waarbij natuurlijke selectie van toevallig optredende mutaties de belangrijkste oorzaak van deze veranderingen is. De huidige stand van zaken Tegenwoordig is de evolutietheorie binnen de biologie algemeen aanvaard. De wetenschappelijk aangevoerde argumenten zijn thans zodanig dat men kan stellen dat evolutie, d.w.z. verandering van soorten door de tijd heen en het onstaan van nieuwe soorten uit oudere vormen, een feit is. De vraagstellingen in deze tijd spelen zich dan ook niet meer af rondom de vraag of evolutie heeft plaatsgevonden, noch rondom het mechanisme achter evolutionaire processen, maar liggen op het niveau van het exacte verloop van evolutielijnen. Op de allereerste plaats hield de evolutiebiologie zich bezig met het traceren van verwantschappen en afstammingslijnen tussen soorten middels het bestuderen van gemeenschappelijke cq. van elkaar af te leiden anatomische en fysiologisch kenmerken. Daarbij nam de inzichtelijkheid van het sturende principe van evolutionaire ontwikkeling toe: alleen vermogens die adaptief zijn - of voor het voortbestaan irrelevant - worden uitgeselecteerd. In eerste instantie was men daarbij dus gefocust op lichamelijke eigenschappen en vermogens. Maar langzamerhand kwam steeds vaker het idee naar voren dat ook geestlijke vermogens als bewustzijn, vrije wil, communicatief gedrag, taal, ethiek en religiositeit wel eens - met name menselijke - eigenschappen zouden kunnen zijn, ontstaan, ontwikkeld en behouden omdat ze de overlevingskansen vergroten. De tak van de evolutiebiologie die zich hiermee bezighoudt, is de sociobiologie. 4. de sociobiologie Het concept van deze theorie luidde:
Aanhangers van het sociaal-darwinisme zagen hierin een legitimatie voor het overheersen van de ene cultuur boven de andere, het ene ras boven het andere en de ene maatschappijvorm boven de andere. Het sociaal-darwinisme verwoordde Darwins inzichten met slogans als 'struggle for life' en 'survival of the fittest' . Kapitalistische denkers omarmden dit idee en wakkerden hiermee concurrentie en vrije marktmecha-nismen aan. Het werd een aanlokkelijke ideologie voor veel individuele mensen en groeperingen die in een 'superieure' sociale positie verkeerden of deze graag wilden verkrijgen. Deze idee nam extreme vormen aan binnen het Duitse nationaal-socialisme, dat erop uit was 'inferieure' rassen te vernietigen en op die manier het tot stand komen van een superieur mensenras te realiseren. Tegen dit sociaal-darwinisme zijn, vanuit ethische, religieuze, filosofische en sociaalwetenschap-pelijke hoek, terecht felle protesten gerezen. Zo fel, dat het van de kant van de biologie een paar decennia stil bleef voor wat betreft het onderzoeken van de relatie tussen natuur en cultuur. Sociobiologie: een nieuwe aanzet Gedragscodes op deze terreinen gelden voor alle mensen, ongeacht hun culturele achtergrond en deze inzichten leidden tot de opvatting dat culturele evolutie een biologische basis heeft. Dit idee vormt het uitgangspunt van de sociobiologie. Edward O. Wilson die beschouwd wordt als de grondlegger van de sociobiologie, definieert deze tak van wetenschap als volgt: sociobiologie is de systematische studie van de biologische basis van alle vormen van sociaal gedrag bij alle diersoorten, de mens incluis. Natuur en cultuur Er is dus aan de ene kant een groot verschil tussen culturele en biologische evolutie. De eerste is doelgericht en wordt door de mens gestuurd, de tweede berust op toevallige omstandigheden en selectie. Maar aan de andere kant, culturele evolutie is wel noodzakelijk verbonden met biologische evolutie, want deze is afhankelijk van biologisch bepaalde menselijke vermogens als zintuiglijke waarneming, neurale integratie, geheugen, leervermogen, bewustzijn, intelligentie, taal. Het zijn deze verbindingen die de sociobiologie wil opsporen en inzichtelijk maken. De vraagstelling van de sociobiologie is dus: hoe hecht is culturele evolutie verbonden met biologische evolutie? In hoeverre is culturele evolutie gefundeerd in en gestructureerd en gestuurd door biologische evolutie? Daarmee is meteen een belangrijke karakteristiek van de sociobiologie gegeven: deze bouwt voort op het gedachtegoed van de klassieke evolutieleer en wordt beschouwd als een moderne pendant hiervan. Binnen de sociobiologie gelden dan ook dezelfde paradigmata als in het algemeen voor de evolutietheorie: adaptatie, natuurlijke selectie, overlevingskansen en voortplantingssucces. Het is een wetenschap waarbij biologie, sociologie, antropologie en psychologie geïntegreerd worden. Het is een consequente toepassing van de evolutietheorie op alle aspecten van het menselijk bestaan. Sociobiologie ziet gedrag, voorwaardelijk voor communicatie en cultuurvorming, als een complex van eigenschappen die een individu - en met enige restrictie de soort - voordeel of nadeel kan opleveren m.b.t. overlevingskansen en voortplanting. Ook gedrag is gevormd onder invloed van selectiedruk. Alleen adaptief gedrag wordt bevoordeeld. 6. Sociobiologie en religiositeit Een darwinistische visie
Altruïsme Met deze definitie doemen meteen twee problemen op. Allereerst lijkt er een onoverkomelijke contradictie te bestaan tussen wat altruïsme is (zelfopoffering ten koste van eigen reproductiviteit) en wat natuurlijke selectie beoogt: toename van reproductiviteit. Het lijkt op het eerste gezicht onmogelijk dat altruïstisch gedrag via natuurlijke selectie tot een constructieve vorm van gedrag kan ontwikkelen. Echter: altruïsme is een belangrijke vorm van coöperatief gedrag. Over het algemeen kan gesteld worden dat het samenwerken binnen groepsverband van de betrokken individuen een bepaalde prijs vraagt, maar dat dit ook aan ieder individu voordeel zal opleveren. De vraag is dus: weegt het te verwachten voordeel voor een individu voldoende op tegen de prijs die de samenwerking zal kosten? Op de tweede plaats, en dit is van belang wanneer ook menselijk gedrag beschouwd wordt als ontwikkeld langs de weg van de natuurlijke selectie, bestaat er discrepantie tussen de betekenis van altruïsme in sociaal-wetenschappelijke zin en in ethologisch/biologische zin. De term altruïsme is afgeleid van het latijnse 'alteri huic' (= aan deze andere) en wordt in het Nederlands vertaald als 'onbaatzuchtigheid'. Binnen de context van de sociale wetenschappen is altruïsme intentioneel, gemotiveerd gedrag. In religieuze termen wordt altruïsme geduid als naastenliefde. Er bestaat een discrepantie tussen de betekenis van altruïsme in sociale, religieuze, humane zin en in ethologisch-biologische zin. Het belangrijke verschil zit hem in de intentie, het wilsmoment. Naast intelligentie onderscheidt de mens zich van het dier door o.a. zijn vrije wil. Mensen zijn morele wezens, die kunnen kiezen en niet uitsluitend worden gestuurd via biologische driften en intuïties. De sociobiologie onderschrijft dit standpunt ook, echter wel met enige restricties. Het hangt er namelijk wel van af wat wordt verstaan onder 'vrije wil'. Wanneer dat wordt opgevat als een volledige vrijheid, ongebonden aan regulerende factoren en zonder enige beperkingen, zodat menselijk gedrag volledig vrij is en als consequentie daarvan onvoorspelbaar zal zijn, dan is dat sociobiologisch gezien een onhoudbaar standpunt. Gedrag kan namelijk in hoge mate de kwaliteit van leven en de mate van reproductiviteit beïnvloeden. Alleen in dit opzicht adaptief gedrag zal geselecteerd worden. De sociobiologie verstaat onder 'vrije wil' een minder extreem vermogen dat meer equivalent is aan 'vrije keuze' of 'zelf-determinatie'. Verschillende vormen van altruïsme Soms neemt deze vorm van altruïsme extreme vormen aan, waarbij een individu zijn eigen leven opoffert voor de groep. Ethologische studies (studie van gedrag) hebben aangetoond dat deze vorm van altruïsme voorkomt bij verschillende soorten van in sociaal verband levende dieren. Het meest bekend is het voorbeeld van de zichzelf opofferende soldatenkaste van termieten. Maar ook bijvoorbeeld het slaken van alarmkreten, wat bij veel diersoorten voorkomt, brengt al het risico met zich mee dat degene die alarmeert wordt opgemerkt door de predator en daardoor het leven laat, waardoor de rest van de groep kan ontsnappen. Dergelijk opofferend gedrag dat tot het uiterste gaat, is volgens de sociobiologie niet te verklaren vanuit het organisme als geheel. Dat kan alleen inzichtelijk worden wanneer we bereid zijn te kijken vanuit de kant van het genetisch materiaal: wanneer het ene individu het leven laat t.b.v. zijn familie, zal zijn genetisch materiaal, dat ook aanwezig is in zijn familieleden, daar toch van profiteren. reciprocal altruism induced altruism Een mooi voorbeeld van deze vorm van samenwerking is het feit dat de koekoek nooit zelf haar eieren bebroedt en haar jongen grootbrengt. De koekoek legt haar eieren in het nest van een andere vogel. De gastouders brengen het koekoeksjong onder grote inspanning en ten koste van hun eigen jongen groot. Het gaat hier dus om een extreme vorm van altruïstische gedrag: de eigen reproductiviteit wordt volledig opgeofferd ten bate van de reproductiviteit van een ander. Deze vorm van altruïsme is niet genetisch geprogrammeerd maar wordt afgedwongen door een parasiterend organisme. De sociobiologie rekent dan ook alle vormen van parasitisme tot dit type van 'induced altruism', dat in strikte zin gezien kan worden als een beschrijving van egoïstisch gedrag van de parasiet bekeken vanuit het standpunt van de geparasiteerde. Biologisch-ethologisch gezien is er geen verschil tussen het 'pure' altruïsme van de gastouder van de koekoek en het zuiver altruïsme (zichzelf opofferen) van een mens. Bewustzijn, moraal en religie Vanuit deze optiek kan moraliteit - en in het verlengde daarvan religie - gezien worden als instrument waarmee de ene mens de andere kan dwingen tot altruïsme. De sociobiologie spreekt zich niet verder uit over religie, behalve dat zij het ziet als een systeem waar binnen morele regels worden geformuleerd. Conclusie Hiermee zijn de problemen waarvoor de filosofie en theologie zich gesteld zien evident. De mens, het leven op aarde, het universum, is niet aantoonbaar ontwikkeld volgens een vooropgezet plan, kent geen voortgang in perfectie noch een eindbestemming. Integendeel, ontwikkeling en verandering, en daarmee het ontstaan van nieuwe levensvormen, gebeurt door toeval. Hierdoor is het voor veel natuurwetenschappers niet meer mogelijk religie anders te zien dan een adaptief, d.w.z. de reproductiviteit ten goede komend, menselijk vermogen; een product gevormd door natuurlijke selectie. Toch rijst hier terecht de vraag: heeft de theologie - en daarmee het geloof in het bestaan van God - als een achterhaald concept afgedaan? Is de sociobiologische benadering van sociaal gedrag wetenschappelijk correct? Zijn de vraagstellingen logisch en legitiem? Is de theorievorming consistent en onweerlegbaar? In hoeverre kunnen de resultaten van sociobiologisch onderzoek voor de theologie vruchtbaar zijn? Is het mogelijk dat de evolutiebiologie als een vorm van religiekritiek kan worden opgevoerd? Zijn de resultaten van evolutiebiologisch onderzoek inderdaad van dien aard dat daarmee het geloof in God als oorsprong, behoud en voltooiing van het bestaande redelijkerwijs onmogelijk wordt? III. De relatie tussen theologie en natuurwetenschap Moderne mensen die de resultaten van natuurwetenschappelijk onderzoek serieus nemen, staan voor de keuze òf geloof (en theologie) achter zich te laten als een bepaalde - weliswaar noodzakelijke - fase in de biologische en culturele evolutie van de mens òf om geloof (en theologie) te zien als een legitieme en betrouwbare bron van kennis omtrent en reflectie over existentiële vragen met betrekking tot oorsprong, doel, zin en wezen van alles wat is. Het tot stand komen van een wereldbeeld dat alsmaar meer stoelt op resultaten van natuurweten-schappelijk onderzoek heeft religieus gezien geresulteerd in de opkomst van het deïsme. Het deïsme beschouwt God als enkel actief bij het begin, bij de schepping van de wereld. Het deïsme ziet God als de grote Ontwerper, ook wel ironisch omschreven als 'Ingenieur in ruste'. Het is de tegenhanger van het theïsme, dat Gods scheppende en instandhoudend handelen tot in het hier en nu veronderstelt. Het deïsme is bij hedendaagse natuurwetenschappers die een denkbare plaats zoeken voor Gods werkzaamheid ten aanzien van het natuurgebeuren nog manifest aanwezig. De natuurweten-schappen hebben God dus helemaal niet weggedrukt, zeggen de deïsten. Integendeel, Gods werkzaamheid wordt in deze zienswijze juist als 'groter' gezien, de wereld blijkt een groter wonder, de Schepper een grotere Schepper. Een God die aan het begin een wereld maakt die zelfstandig verder kan, is veel knapper dan een God die zijn schepping voortdurend in stand moet houden. Maar er zitten ook problemen aan deze visie. Binnen de deïstische zienswijze is God gevoelsmatig wel erg ver weg. Bovendien wordt een bijzondere openbaring van God in Israël en in Jezus van Nazareth moeilijk denkbaar. En daarmee is de problematische verhouding van de theologie t.a.v. de natuurwetenschappen ten volle geduid. De laatste decennia groeit het aantal theologen en natuurwetenschappers die hierover in gesprek raken. Deze gesprekken spelen zich af op verschillende niveaus: Allereerst is er (1) de filosofische vraag: zijn er rationele, doorslaggevende argumenten die een dialoog tussen theologie en natuurwetenschappen rechtvaardigen en zelfs als noodzakelijk duiden? Als dat zo is, volgt een tweede vraag (2): kan of moet natuurwetenschappelijk onderzoek beschouwd worden als een bron voor het in theologische zin verstaan van de werkelijkheid? En zo ja, een derde vraag (3), op welke manier kan dit dan concreet worden gedacht en uitgewerkt? Hieronder volgt het betoog van een aantal filosofen en theologen die de discussie met de natuurwetenschappen, in het bijzonder de evolutiebiologie en sociobiologie, zijn aangegaan. (ad 1) Rationele onderbouwing van een dialoog Schmitz-Moormann pleit daartoe voor een reconstructie van de theologie, hetgeen volgens hem een herziening tot gevolg heeft van het verstaan van God als Schepper en van de betekenis van de Incarnatie. Hij verduidelijkt dit als volgt: Vanoudsher hebben de theologie en de wetenschappen zich ontwikkeld uitgaande van het idee van een statisch universum, geregeerd door eeuwigdurende regels opgemaakt door de Eeuwige. Vanuit een dergelijke optiek zoekt men naar het begin, de oorsprong, om zo te achterhalen wat precies die eeuwige, onveranderlijke regels zijn. Vanuit deze optiek is kennis over het begin (schepping, het begin van de kerk) de meest na te streven kennis, en tegelijkertijd impliceert dit dat er geen hogere ontologische status is dan die van het begin. In het licht van modern natuurwetenschappelijk denken is deze klassieke benadering van de theologie onhoudbaar: De theologie moet het zoeken naar het ideale begin, naar het statische, loslaten en het veranderlijke, het worden in haar denken incorporeren. Dat betekent bovenal dat zij moet uitzien naar nieuwe openbaringen die kunnen oplichten in nieuw verkregen wetenschappelijk inzicht. Hij verwijt het Christendom contact te verliezen met de werkelijkheid en veronderstelt dat dit er wel eens de oorzaak van kan zijn dat tegenwoordig met name jonge mensen nog nauwelijks meer bij kerk en christendom betrokken zijn. Dat betekent echter niet, dat alle uitspraken die de theologie doet, wetenschappelijk inzichtelijk dienen te zijn: theologische paradigma als de Incarnatie, de Opstanding, Vergeving en Verlossing zijn niet natuurwetenschappelijk te weerleggen noch te bevestigen; dergelijke zuiver theologische thema's zijn überhaupt niet toegankelijk in termen van natuurwetenschappelijke taal. (ad 2) Natuurwetenschappelijke bevindingen als bron voor theologische overdenking: De filosoof, zoöloog en agnost Michael Ruse is kort en bondig waar het gaat om het verwoorden van zijn ideeën over de verhouding tussen christelijke naastenliefde en sociobiologisch altruïsme. Hij is van mening dat het gebod van de naastenliefde verder gaat - in de zin van te ver, onredelijk - dan de biologisch gefundeerde vormen van altruïsme gebaseerd op verwantschap en reciprociteit. Je vijand liefhebben, de andere wang toekeren, jezelf volledig opofferen, dat is een moraal die volgens hem niets meer met 'commonsense' te maken heeft. Dit is niet meer normaal, niet te verdedigen: Ruse ziet het christelijke idee van moraliteit, gefundeerd in Gods wil, als een illusie, overigens wel een illusie die biologisch gezien zinvol is en de reproductiviteit ten goede komt. Don Browning, theoloog en psycholoog, is ervan overtuigd dat altruïsme in sociobiologische zin aan de ene kant en christelijke naastenliefde aan de andere kant twee begrippen zijn met een verschillende, maar wel gerelateerde betekenis. Hij is dan ook van mening dat het onderzoek naar de betekenis en functie van biologisch, adaptief altruïstisch gedrag ertoe bijdraagt de betekenis van het begrip agapè beter te verstaan. Hij redeneert als volgt: Browning wijst in dit verband op het belang van het gezin als leerschool voor het aanleren van altruïstisch gedrag ten aanzien van vreemden: de mens leert de ander lief te hebben, allereerst in de familiekring en daarna pas buiten deze besloten kring. In dit opzicht neemt hij het begrip agapè kritisch onder de loupe door gebruik te maken van de sociobiologische inzichten over altruïsme. Hij doet een voorstel om te komen tot een nieuwe definitie van naastenliefde, waarbij hij sociobio-logische inzichten wil inweven zonder het vrije, intentionele, zelfopofferende aspect van christelijke liefde te reduceren. De kern van de betekenis van naastenliefde ligt volgens hem in het tweede deel van het gebod van de naastenliefde: Hebt uw naaste lief, als uzelf (Matteus19,19 en 22,39; Marcus 12,31 en 12,33; Lucas 10,27; Romeinen 13,2; Galaten 5,14; Jacobus 2,8). Met andere woorden: naastenliefde stoelt op wederkerigheid. Religiositeit: adaptief gedrag contra metafysich kenvermogen William H. Ausrin, filosoof, stelt met betrekking tot deze problematiek twee vragen: Op de tweede plaats vraagt hij zich af of de sociobiologische verklaring van religie volledig is, of is er wellicht nog meer over te vertellen? Sociobiologie als religiekritiek Het is tevens een taak van de theologie de angst weg te nemen om over de mens te spreken in termen van de natuurwetenschappen. Immers, deze geven slechts beschrijvingen van de zichtbare werkelijkheid. De theologie vraagt verder, houdt zich bezig met geloofservaringen en zin en doel van het bestaan. (ad 3) Integratie van natuurwetenschappelijke bevindingen binnen het denken van de theologie Het 'Is' is de natuurlijke werkelijkheid. Het 'Ought' is dat wat wenselijk is, zoals de mens vindt dat het zou moeten zijn. Ideeën over het 'Ought' krijgen vorm vanuit basale menselijke behoeften en verlangens. Het 'Is' en het 'Ought' worden met elkaar verbonden door de mythe (bijv. het scheppingsverhaal). De mythe spreekt zich, vanuit het 'Is' uit over het 'Ought' (scheppingsverhaal, de godsnaam - brandend braambos, het verbond tussen God en mensen - Noach, Mozes) en levert zo een basis voor moraal. Moraal, concrete waarden en normen, reguleert en legitimeert sociaal gedrag dat wordt gezien als zo goed mogelijk in overeenstemming met de ons omringende werkelijkheid en als zodanig dient nagestreefd. De mythe geeft dus in symbolische taal een interpretatie van de werkelijkheid en is richtinggevend voor het vormgeven van een samenleving. Het is dus belangrijk die werkelijkheid en de verschillende aspecten van het 'Is' en het 'Ought' te kennen. Nú houden de natuurwetenschappen en sociale wetenschappen zich daarmee bezig, vroeger gebeurde dat in religieuze taal verwoord door de mythe. Nú komt de sociobiologie tot de conclusie dat sociaal gedrag, altruïstisch gedrag, noodzakelijk is om te kunnen leven in deze werkelijkheid. De mythe van het christendom was daar eeuwen eerder óók al achter gekomen. Hefner ziet de wetenschappelijke bevindingen niet als reductionisme van religie maar als profetisch, een uitkomst die de religieuze wereld herinnert aan haar bijzondere erfenis. Aan de andere kant heeft het christendom voorspelt en aangereikt wat de wetenschap nu aantoont en bevestigt. Het paradijsverhaal Hefner vat deze christelijke mythologie samen als een systeem waarbinnen God Schepper en Voltooier is en betrokken op Zijn Schepping. Wat voor consequenties heeft dit verhaal voor het menselijk handelen? Wat is het meest toepasselijke antwoord, welk (sociaal) gedrag ligt impliciet in deze mythe verwoord? Hefner concludeert: de meest basale regel die hierop gebaseerd ligt is: 'Gij zult de Heer uw God aanbidden met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf' [Matteus 22,40]'. Nu is Hefner zover dat hij de sociobiologische bevindingen omtrent religiositeit en moraal kan introduceren. De sociobiologische aanpak laat zien hoe altruïstisch gedrag gericht op verwanten (kin altruism) en op individuen waarmee men in nauwe samenhang leeft (reciproke altruism) volledig in overeenstemming is met op zichzelf gericht, in evolutiebiologische zin relevant, gedrag. De problemen doemen op wanneer altruïsme is gericht op niet-verwanten en met name op mensen ver weg, van een andere ethniciteit en cultuur. Tegelijkertijd zien ook sociobiologen dat het met name deze vorm van altruïsme is die het de mens mogelijk maakt complexe, zelfs mondiale, maatschappelijke structuren te realiseren; religie en moraal zijn de mogelijkheidsvoorwaarden bij uitstek voor de ontwikkeling van cultuur. Hefner komt tot de volgende synthese: Hij illustreert concreet, aan de hand van een analyse van het paradijsverhaal en de leer van de erfzonde, op welke wijze de sociobiologische bevindingen verrijkend kunnen zij voor de theologie. Hefner ziet het verhaal van de zondeval als de neerslag van - en een zeer oude verklaring voor - de inherente, diep-menselijke ervaring van ambivalentie, van discrepantie, van strijd tussen verschillende mogelijkheden, tussen goed en slecht. Deze ervaring onvolmaakt te zijn, voortdurend te kort te schieten, wordt zonde, kwaad genoemd en gaat gepaard met een gevoel van schuld. De ervaring van discrepantie wordt veroorzaakt door twee informatiesystemen: de genen en de cultuur. De genen bevatten de oudste, voor het overleven belangrijke adaptieve gegevens. Deze informatie is gericht op het overleven van het individu en dus per definitie competitief, egoïstisch, afgunstig, hedonistisch. De cultuur daarentegen stimuleert gedragsstrategieën die coöperatief zijn, altruïstisch, anti-hedonistisch, vol zelfbeheersing. Door de geschiedenis heen heeft dit geleid tot dualistische ideeën en verklaringen over deze wereld en over de mens. Hefner wijst dit dualisme af op grond van het feit dat er slechts één natuurlijk proces is, dat heeft geleid tot ontstaan en ontwikkeling van alle leven, incluis de mens. Hefner verduidelijkt dit door gebruik te maken van evolutiebiologische inzichten omtrent het ontstaan van altruïsme en cultuur: De mogelijkheden tot het opbouwen van een cultuur zijn in de evolutie een jonge ontwikkeling en zijn gelocaliseerd in de neocortex. De neocortex heeft tot taak signalen en impulsen van oudere hersendelen te integreren en te coördineren. Deze oudere hersendelen zijn gericht op overleven van het individu en dus egoïstisch van aard. In zekere zin moet de neocortex de oudere hersendelen 'leren' zich op een humane, coöperatieve wijze te manifesteren. Dat leerproces is (nog) niet voltooid: Wat wij verstaan onder het begrip zonde is dus inherent aan de menselijke natuur. Het maakt deel uit van het evolutieproces dat ontstaan en ontwikkeling van leven mogelijk maakt: Hefner heeft zijn keuzes gemaakt, dat is duidelijk: hij pleit voor het serieus nemen en integreren van wetenschappelijke inzichten in de theologie. Filosofen en theologen die dit afwijzen, veroordeelt hij scherp. Bovendien, waarschuwt hij, loopt de theologie, wanneer zij zich afzijdig houdt van wetenschappelijk onderzoek en de inzichten die hieruit volgen, het risico als maatschappelijk nutteloos en irrelevant van het toneel te verdwijnen. Hij prefereert 'een toernooiveld'. Conclusie Helaas is er nog grote weerstand waar het gaat om het opnemen van evolutiebiologische inzichten binnen de theologie. Er lijkt waardigheid verloren te gaan wanneer er wordt gesproken over de mens als biologisch geconditioneerd organisme. Hier ligt een tweede taak voor de theologie: het wegnemen van de angst om over de mens te spreken in termen van de natuurwetenschappen. Ten leste zijn de verklaringen van de natuurwetenschappen uitsluitend beschrijvingen van processen die zich afspelen op het terrein van de zichtbare werkelijkheid. Maar de theologie omvat meer, wil ook spreken over geloofservaringen en vraagt naar zin en doel van het bestaan. Het bovenstaande benadrukt waarom de theologie er goed aan doet evolutiebiologisch onderzoek serieus te nemen en in haar denken op te nemen. Maar geldt dat ook andersom? Is religiositeit en het bedrijven van de theologie van nut voor de samenleving? Een spannende vraag omdat zoveel mensen, met name wetenschappers, religie en theologie afwijzen als nutteloos en zinloos. Ook dit lijkt me voorbarig. Sociobiologisch onderzoek bevestigt de fundamentele en structurerende betekenis van religie voor het opbouwen van een cultuur, voor het stimuleren van vreedzame samenwerking, voor het leven in vrijheid, voor het maken van heilzame keuzes ten behoeve van het overleven van individuen en groepen. In deze geseculariseerde tijd zien we het belang van deze evolutiebiologische ontdekkingen steeds meer in. Hoe moeilijk is het niet voor het huidige paarse kabinet een basis te formuleren voor waarden en normen? De vraag komt op: kan moraal geformuleerd worden zonder religieuze basis? Is religie de behoeder bij uitstek van een menswaardige samenleving? En daarmee komen we op het eigen, onherleidbare terrein van de theologie. God functioneert voor gelovige mensen als een metafoor, als een vermogen in het zelfbewustzijn waaraan heil wordt ervaren. Deze ervaring is zodanig groot en gezagvol dat zij vervolgens aanzet tot het uitdragen van heil. Gelijkwaardigheid, respect, broeder- en zusterschap, ethiek, dit alles is geen doel (zoals de sociobiologie dat betoogt) maar wordt uitgangspunt. Heil kan zo binnen de functionele, materiële en contingente werkelijkheid tastbaar worden ervaren: in de liefde, het enige menselijk vermogen dat de macht heeft het hele bestaan uiteindelijk voltooid te weten in God. Juist daardoor is Gods relatie tot de wereld als Schepper voor mij evident en lijkt me religiositeit en theologie niet biologisch afbreekbaar. |